Zojuist zijn er een aantal Canadese militaire voertuigen het dorp Rijnsburg binnengereden. Een man springt eruit en vraagt aan de omstanders “hoe is het met Rijnsburg en met mijn ouders en familie?” Een bekend gezicht in een vreemd uniform. Het is de in 1942 via Portugal naar Amerika gevluchte Martin Collee. De zoon van meester Collee heeft het inmiddels geschopt tot Kapitein bij de Canadese luchtmacht en maakt van de gelegenheid gebruik om een bezoek te brengen aan zijn geboortedorp. In de vroege avond van de 4e mei wordt de terugkeer van Collee gevierd met een feestelijke serenade voor zijn ouderlijk huis aan de Kerkstraat.

De Nederlandse driekleur wappert weer fier van de Rijnsburgse toren. Genootschap Oud Rijnsburg
Aarzelend waren de inwoners van Rijnsburg naar buiten gekomen om het nieuws van de capitulatie met elkaar te delen. Hier en daar werden al vlaggen uitgehangen en aan de Oegstgeesterweg bij de Chr. Ger. Kerk stonden groepjes mensen te praten en tuurden naar de verlaten Rijnsburgerweg in de richting van Leiden of er al een glimp van de bevrijders te zien was.
Op zeven mei verscheen de laatste uitgave van het illegale blad Trouw. Er werd alsnog tot voorzichtigheid gemaand met betrekking het uitsteken van de vlaggen. Men werd gevraagd te wachten tot de vlag weer van de NH kerktoren zou wapperen. Die middag stond in het teken van de dankdiensten die worden gehouden. De Klink was belast met het bekendmaken van de verdere bijzonderheden. Vier mannen van de Rijnsburgse BS droegen plechtig de Nederlandse driekleur naar de kerk waar hij vervolgens werd gehesen.
Op 9 mei arriveerde er een Canadese jeep met twee officieren van de Royal Mounted Police in het dorp. Op het schoolplein van de Wilhelminaschool stond de Rijnsburgse BS aangetreden. Zij werden geïnspecteerd door de Canadezen. Het was een zonnige feestelijke dag en de Canadese jeep werd door de Rijnsburgers, hoe kan het ook anders, vol met tulpen gelegd.

De praalwagen van de Gereformeerde meisjesvereniging in de Burg. Meijboomstraat. Op de achtergrond is nog juist de toren van de oude Petrakerk te zien. Genootschap Oud Rijnsburg
Höweler had zijn taak als burgervader weer opgepakt en een feestcomité zorgde op 16 en 17 mei voor een waar dorpsfeest compleet met een optocht. In zijn feestrede op de stoep van het oude Raadhuis herdacht Höweler de gevallenen en gaf blijk van ieders blijdschap van de bevrijding. Hij citeerde de 33e Psalm “het briesend paard moet eindelijk sneven”. Hij spreekt ook de wens uit dat er een Oranjevereniging wordt opgericht. Dit met name voor de kinderen, want in het arme Rijnsburg hadden velen van hen nog nooit een dorpsfeest gezien.
Het feest werd gevierd met eenvoudige middelen. Mensen stroomden samen met muziek en dans om de bevrijding te vieren. Er was zaklopen, stoelendans en op de Koestraatbrug werd een groot vreugdevuur ontstoken. Op sommige plaatsen werden er zelf primitieve dansvloertjes aangelegd en dansten jonge stelletjes op de klanken van een koffergrammofoon. Langs de Vliet en om de Wilhelminaboom werd er onder begeleiding van muziekvereniging Wilhelmina gedanst op de maten van de Hoki Poki. Het feest was compleet.

De Nederlandse vlag wordt door leden van de BS naar de NH kerk gedragen. Genootschap Oud Rijnsburg
Net als in menige Hollandse gemeente wierp ook in Rijnsburg het afrekenen met NSB-ers en Duitsgezinden een smet op de feestvreugde. In de roes van de bevrijding werden er op het plein van de Julianaschool in de Hofstraat onder massaal gejoel een aantal vrouwen kaalgeschoren. Hiertegen klonken weliswaar protesten, maar toen was het kwaad al geschied. De NSB-ers werden door de BS gearresteerd en naar de interneringskampen afgevoerd.

Groentehandelaar Willem Brussee met zijn dochters Hannie en Gré voor hun huis aan de Langevaart. Genootschap Oud Rijnsburg
Er was nog steeds sprake van schaarste en een groot aantal levensmiddelen waren nog steeds op de bon. De Rijnsburgse tuinders die in de oorlogsjaren het grootste gedeelte van hun gewassen in het kader van de voedselvoorziening aan de Duitsers af hadden moeten dragen, waren nu weer in de gelegenheid om hun producten voor de handel aan te bieden. Willem Brussee, groentehandelaar uit de Langevaart, kon zijn bloemkool en aardappelen weer vrij verhandelen. Hij had een neef van hem uit Katwijk van een een stuk verduisteringskarton een reclamebord laten maken met de volgende tekst:
Na zeer veel leed en narigheid, zijn we nu de Duitsers kwijt. Geen aardappels meer naar ’t naziland, ze blijven nu in Nederland!
Willem Brussee
Mei 1945
In tegenstelling tot Katwijk en Valkenburg had Rijnsburg voor de oorlog geen Oranjevereniging. Pas in mei 1945 was de eerste Rijnsburgse Oranjevereniging een feit. In het bijzijn van burgemeester Höweler vond de oprichtingsvergadering op de laatste woensdag van deze maand plaats in zaal Vliethof. Het voorstel om tot de daadwerkelijke oprichting van de Oranje Vereniging te komen, komt van de heer J. Verhave en wordt met algemene stemmen van de vergadering aangenomen. In overleg met het vorige Oranje Comité – dat vóór de oorlog zorg droeg voor activiteiten om de Oranjes een warm hart toe te dragen – werd het eerste bestuur gekozen. Waarbij de volgende verdeelsleutel gehanteerd werd: 6 Gereformeerden, 6 Nederlands Hervormden, 1 Rooms Katholiek en 1 Christelijk Gereformeerd bestuurslid.
Onder het puin bedolvenDoor Gods goedheid zijn wij bevrijd, groot zijn de offers onzer bondgenoten en illegale strijders welke gebruikt zijn. Daarom hebben wij de belangrijke taak om ons land en volk weer de plaats te geven die het behoort. Dit alles is mogelijk wanneer wij eendrachtig samenwerken op alle terreinen waar dit enigszins mogelijk is.
Burgmeester Höweler
tijdens de oprichtingsvergadering van de Rijnsburgse Oranjevereniging, 30 mei 1945.
Buiten loeien de sirenes van het luchtalarm al minuten achtereen. De bevolking van Rotterdam zoekt koortsachtig een schuilplaats in gebouwen en kelders. Duitse bommenwerpers zaaien dood en verderf in een poging om het Nederlandse leger op de knieën te krijgen.
Vijf dagen geleden zijn de Duitsers ons land zonder waarschuwing binnengevallen en sindsdien woeden er hevige gevechten in de stad aan de Maas. Fallschirmjagers zijn geland om de spoorbruggen, Koninginnebrug en de Willemsbrug in te nemen om zo contact te maken met de noordoevers van de Maas en zo door te stoten naar de Vesting Holland.

Het gezin Mikx met rechtsonder Anna van Eck. E. Wolthaus
Rond half twee op de veertiende mei 1940 barst het bombardement los dat de binnenstad van Rotterdam binnen een kwartier veranderd in één rokende puinhoop. Ongeveer achthonderd mensen vinden hierbij de dood en ruim tachtigduizend zijn dakloos. Nederland werd hierdoor op haar knieën gebracht. De Hollanders hadden geprobeerd overgaveonderhandelingen te voeren, maar door slechte communicatie en onhandige bevelvoering was het Nederlandse opperbevel er niet op tijd in geslaagd om dit allesvernietigende bombardement te voorkomen.
Onder de slachtoffers van het bombardement bevindt zich de familie Mikx. Vader Petrus, moeder Catharina, hun kinderen Bernard en Theodora worden samen met hun dienstbode Anna van Eck onder het puin bedolven. Het gezin woonde aan de Kipstraat 69 nabij het oostelijk havengebied. Vader Petrus, 58 jaar, oud was kerkmeester van de RK kerk van de H Rosalia aan het Rodezand in Rotterdam. Deze oorspronkelijk in 1779 als schuilkerk gebouwde kerk werd in 1935 gerestaureerd en kreeg het zijn nieuwe voorbouw aan het Rodezand.
Op 2 augustus 1906 was Petrus Mikx getrouwd met de 28 jarige Catharina Wilhelmina Petronella Smulders en in 1907 werd hun eerste kind Patricius geboren. Naast Theodora en Bernard, tijdens het bombardement 23 en 27 jaar oud, kreeg het stel nog een aantal kinderen. Deze verbleven op dat moment als kloosterlingen elders in het land. Naast de leden van het gezin Mikx kwam ook Johanna Gerdina Margaretha van Eck om onder het puin. Zij was als 16 jarig meisje in 1906, na het trouwen van Petrus en Catharina Mikx, als bode bij hen in dienst gekomen.

Het bidprentje voor de familie Mikx. E. Wolthaus
Na twee weken onder het puin gelegen te hebben worden begin juni de lichamen van Petrus en Catharina, Benard en To Mikx en Anna van Eck geborgen. De overgebleven kinderen krijgen hierdoor eindelijk uitsluitsel en melden het overlijden van hun ouders in de landelijke pers. Door de chaos en de vele slachtoffers is het niet makkelijk om op korte termijn een waardige begrafenis te regelen. De oudste zoon van het gezin Mikx, Patricius brengt echter uitkomst. Patricius is inmiddels als Pater econoom verbonden aan het Missiecollege in Katwijk aan den Rijn. In 1932 was hij vanuit Weert naar Katwijk gekomen en zou de geschiedenis ingaan als de ‘bomenpater’. Hij zorgt er persoonlijk voor dat de lichamen van zijn familie en Anna van Eck naar Katwijk aan den Rijn worden overgebracht. Op dinsdag 4 juni 1940 worden ze bijgezet op het RK kerkhof in Katwijk aan den Rijn.
In de kapel en in de zijkapellen van de Wilbert zijn na de oorlog acht gebrandschilderde ramen geplaatst ter nagedachtenis aan de familie Mikx. Patricius Mikx heeft na de oorlog contact gezocht met Karel Trautwein, een glazenier uit Haarlem en gespecialiseerd in religieuze taferelen. Mikx gaf hem opdracht om deze ramen voor hem te ontwerpen. De ramen zijn niet alleen een herinnering, maar de thema’s geven de personen en plaats ook weer.
De fusie van Valkenburg en KatwijkHet symbool van de vissen en het brood als tekenen om ons te herinneren aan onze eenheid met Christus.
Pater Patricius Mikx
Op 1 januari 2006 was de fusie tussen Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg een feit. Deze fusie had de nodige voeten in aarde gehad en heeft niet zonder slag of stoot plaatsgevonden. Met name Rijnsburg en Valkenburg probeerden naarstig hun eigen identiteit te behouden. Het heeft minstens een jaar geduurd voordat het plaatsnaambord “Rijnsburg gemeente Katwijk” aan de Rijnsburgerweg, niet meer wekelijks werd gevandaliseerd, en anno 2012 vraagt men zich nog steeds af of Valkenburg blijft leven als een groot aantal voorzieningen naar Katwijk wordt verplaatst.
Wat een groot aantal mensen niet weet is dat dit niet de eerste keer is dat er sprake was van een fusie tussen Katwijk en Valkenburg. Eind mei 1941 viel er bij de gemeente Valkenburg een schrijven van de Gedeputeerde Staten van Zuid Holland op de mat waarin stond vermeldt dat de gemeente Valkenburg in zijn huidige vorm zou worden opgeheven en per 1 oktober 1941 bij Katwijk zou worden gevoegd. Had men bezwaar, dan kon men tot een maand na de dagtekening reageren.

Valkenburgs protest tegen eenwording met Gemeente Katwijk. Genootschap Oud Valkenburg
De verbijstering bij de Valkenburgers was groot. Zeker gezien het feit dat hier vooraf door de Provincie met hen geen woord over gesproken was. Als argument werd gegeven dat door de oorlogsverwoestingen van mei 1940, Valkenburg tot één van de kleinste en financieel zwakste gemeentes was geworden, en gezien de ligging van het Valkenburgse grondgebied samenvoeging met Katwijk de enige verstandige optie was. De gemeente Valkenburg telde op dat moment 1135 inwoners.
De gemeente Katwijk onderschreef weliswaar het voorstel van de Gedeputeerde Staten, maar had toch haar bedenkingen. Wat als in de komende jaren de financïele situatie in Valkenburg tot een blok aan het Katwijkse been zou worden? Een oplossing hiervoor werd gezocht in het feit dat Katwijk een over 10-12 jaar aflopende rijksuitkering in het vooruitzicht gesteld zou krijgen. Katwijk zou hierbij tevens de kans krijgen om de oevers van de Rijn verder te industrialiseren. Men greep meteen ook de kans aan om de wens van gebiedsuitbreiding in de richting van Noordwijk en enige grenscorrecties met Rijnsburg kenbaar te maken. Katwijk telde op dat moment 20.000 inwoners en had met het oog op de toekomst dus alle belang bij deze fusie.

Bakstenen worden zorgvuldig schoongebikt om gebruikt te worden bij de herstelwerkzaamheden. E. Wolthaus
De gemeenteraad van Valkenburg klom hierop in de pen en haalde in een schrijven naar de Gedeputeerde Staten flink uit naar het fusieplan. Men haalde hierin het historisch belang aan van Valkenburg en het feit dat de oorlogsverwoestingen in de meidagen van 1940 grotendeels door Hollandse beschietingen waren veroorzaakt. Tevens dat men het ten zeerste betreurde dat het Rijk hen tot op dat moment geen enige vorm van financiële compensatie had aangeboden om de gemeente bij te staan in de wederopbouw van het dorp. Aldus besproken in de Valkenburgse raadsvergadering van 26 juni 1941. Dat men toch rekening hield met het feit dat Valkenburg op zou houden te bestaan blijkt uit een gemeentelijk plan van oktober 1941. Hierin werd bepaald welke straten er in het kader van de wederopbouw een andere naam zouden krijgen en omgenummerd zouden worden. Mocht het zo zijn dat Valkenburg bij Katwijk ingelijfd zou worden, dan zou de Middenweg omgedoopt worden in de Burgemeester de Wildestraat. Dit vanwege zijn bewezen diensten tijdens de oorlogsdagen.
…..Buitendien is het algemeen bekend dat, aard en karakter van de inwoners onzer gemeente op niet vele punten met die van Katwijk overeenstemmen.
Burgemeester en wethouders van Valkenburg
Schrijven aan de Gedeputeerde Staten. 26 juni 1941
Financiële steun zou er nooit komen en ook bleek de Provincie toch vatbaar te zijn voor het collectieve Valkenburgse protest onder leiding van burgemeester de Wilde. Zodoende werd de voorgestelde fusie eind 1941 definitief afgeblazen. Echter in 2002 werd een Katwijkse fusie met Valkenburg weer actueel. Wederom kwam er een fusieverzoek vanuit de overheid. Dezelfde bezwaren staken dan ook de kop weer op. Het Katwijkse SGP raadslid W.J. Vroegindeweij geeft aan tegen te zullen stemmen als het te duur wordt voor de Katwijkse burger. En Rijnsburg en Valkenburg geven nogmaals de voorkeur aan zelfstandigheid. Echter deze maal wordt er vanuit overheidswege geen gehoor gegeven aan de lokale protesten en is er geen ontkomen aan, zodat we vanaf 2006 alsnog kunnen spreken van één gemeente Katwijk.
Huisje, boompje, beestje naar ValkenburgBij de mobilisatie van augustus 1939 werd niet alleen het leger gemobiliseerd, maar werd ook onze luchtmacht in de hoogste staat van paraatheid gebracht. Op het vliegveld Bergen in Noord Holland zijn een jachtgroep en een verkenningsgroep van het 1e Luchtvaartregiment gestationeerd.
In de vroege morgen van 10 mei 1940 wordt de jachtgroep, die al klaar stond met draaiende motoren, overvallen door een Duits bombardement. Hierbij worden zo goed als alle vliegtuigen vernietigd of zwaar beschadigd. De Fokker CX’s van de strategische verkenningsgroep 1-I-1 Lv R. waren echter zo goed gecamoufleerd en dusdanig verspreid over het terrein opgesteld dat hun materiaal vrijwel onbeschadigd uit de strijd komt.
De vliegers van 1-I-1 Lv R. wachten hierna op bevelen. Deze komen al snel in de vorm van twee opdrachten. De vliegvelden Waalhaven en Valkenburg moeten worden gebombardeerd. De hoofdtaak van de groep is verkenning, maar nu bommenwerpers hard nodig zijn, en de Fokker CX ook uitgerust kan worden met bommen, werd er besloten om hen in dit geval in te zetten als bommenwerper.
Drie Fokker CX’s zullen naar Valkenburg gaan en twee naar Rotterdam. Bescherming van jagers is niet mogelijk, de jachtgroep op eigen terrein is uitgeschakeld en elders zijn er geen beschikbaar. Er zit dus niets anders op dan onbeschermd op weg te gaan. De opdrachten worden in het kort besproken, er zal op 2500 meter in wijd verband worden gevlogen. De vliegroutes worden bepaald en dan begeven de bemanningen zich naar hun machines. De Fokker CX is weliswaar een bruikbaar toestel, maar hopeloos verouderd. De vliegers weten dat als ze onderweg een Duitse Me109 tegenkomen, ze geen schijn van kans hebben tegen dit moderne en vele malen snellere toestel.
De twee Fokkers bestemd voor Valkenburg weten het vliegveld nagenoeg onopgemerkt te bereiken, en werpen hun bommen af. Op het veld staan overal Duitse Ju52 transportvliegtuigen verspreid. Weggezakt in de drassige grond kunnen zijn niet meer opstijgen en zijn dus een makkelijke prooi voor de Nederlandse vliegers. Grote rookzuilen stijgen op en naar schatting worden vijf á zes toestellen geraakt. Na het bombardement duiken de CX’s omlaag en zoeken afzonderlijk van elkaar hun weg naar huis. Duitse toestellen krijgen hen uiteindelijk toch in de gaten en zetten onmiddellijk de achtervolging in. Door heel laag te gaan vliegen en gebruikt te maken van de kleur van hun machine tegen donkergetinte grond weten ze toch aan hun achtervolgers te ontsnappen. Op de terugweg wordt er een aantal Duitse Ju52’s, die een noodlanding op het strand hebben moeten maken, aangevallen. Twee van hen worden hierbij in brand geschoten.

Het interieur van een door oorlogshandelingen beschadigde hangar op Valkenburg. E. Wolthaus
Terug op vliegveld Bergen worden de ervaringen van de vliegers besproken. Tegen een Duitse jager kon men met een verkenningstoestel weinig uithalen, maar laag vliegen kon wel een uitkomst bieden. Het zogenaamde “huisje, boompje, beestje vliegen” was hierbij een uitermate geschikte tactiek. Vlakbij het doel klimmen naar driehonderd meter, je bommen afwerpen en dan in duikvlucht weer naar beneden en proberen om op tien meter hoogte je basis weer te bereiken. En niet over strand vliegen want dan stak je te veel af tegen de lichte ondergrond!
Diezelfde dag ontvangt de III Verkenningsgroep van het 2e Luchtvaartregiment, dat gestationeerd is op vliegveld Hilversum, eveneens de opdracht om koers te zetten naar Valkenburg. Het betreft een kleine bomaanval met één Fokker CX op het vliegveld. Ondanks de bescheiden aard van de aanval gaan er toch een aantal Duitse Ju52 transportvliegtuigen in vlammen op. Wederom succes voor de Nederlandse luchtmacht! Tenslotte wordt er later die dag nog een opdracht ontvangen om de situatie omtrent het vliegveld verder in kaart te brengen en luchtfoto’s te maken. Twee Fokker CX’s worden er op uitgestuurd, en bereiken betrekkelijk gemakkelijk het vliegveld. Waar de waarnemers er in slagen de benodigde foto’s te nemen. Wanneer ze net klaar zijn worden ze ontdekt door een aantal Duitse ME109’s, en raken hiermee in gevecht. Gelukkig weten ze hun belagers af te schudden en komen veilig met hun fotomateriaal terug op vliegveld Hilversum.
V-Männer in Katwijk ?In Mei 1940 werd Nederland totaal overrompeld door de Duitse inval. Slechts na vijf dagen moest men de ongelijke strijd opgeven. Meteen na de capitulatie kwam de geruchtenstroom op gang over in Nederland woonachtige Duitsers die een rol zouden hebben gespeeld in het doorspelen van informatie aan de bezetter. Aan de hand van deze info zouden de Duitsers op de hoogte zijn gebracht over zaken als de beweging van de Nederlandse troepen en de sterkte van onze verdedigingswerken.
Deze spionnen waren in dienst van de Abwehr, de Duitse inlichtingendienst, en werden V-Männer genoemd. De Abwehr, oorspronkelijk opgericht in 1866, werd sterk uitgebreid na de succesvolle rol die de dienst speelde tijdens de Frans – Duitse oorlog. Na de capitulatie van Duitsland op het einde van de Eerste Wereldoorlog werd de dienst ontbonden, maar toen Duitsland in 1921 toestemming kreeg om weer een klein leger op te bouwen werd deze dienst al snel opnieuw opgericht. Men had als taak informatie te vergaren in binnen- en buitenland, op zowel industrieel als militair gebied.
Ook in Katwijk waren er hardnekkige geruchten over mensen die betrokken zouden zijn bij spionage praktijken van de Abwehr, één van hen van Robert Bröcker. Bröcker werd geboren op 24 september 1909 als zoon van Bernard Bröcker en Olga Frieda Maria Klein. Het gezin Bröcker was woonachtig in Duisburg, in de Duitse deelstaat Noordrijn – Westfalen. Robert Bröcker was als jonge man naar Katwijk gekomen en was kapper van beroep. In de Katwijkse volksmond was hij beter bekend als ‘ Roberti de Duitse kapper ’.
Hij kreeg kennis aan Antonia Laurentia Cornelia Boon uit Noordwijk en trouwde met haar. Een woning aan de Varkevisserstraat werd betrokken en het stel kreeg samen drie kinderen. Naast zijn werk als kapper was hij ook actief bij de Luftschutz Warndienst Holland, de Duitse variant van de Luchtbescherming. De L.S.W. viel onder de Duitse Ordnungs Polizei en was de observatiedienst tegen luchtaanvallen. Inmiddels gingen de roddels dat hij dienstgenomen zou hebben bij de Gestapo. Hij reed in ieder geval rond in een luxe auto die niet in overeenstemming was met het loon dat een kapper in die tijd verdiende.

De overlijdensadvertentie van Robert Bröcker. E. Wolthaus
Echter na een reis naar Duitsland kwam hij ziek terug, er was keeltering bij hem geconstateerd en hij werd voor behandeling opgenomen worden in het St. Elisabeth ziekenhuis in Leiden. Keeltering was een vorm van TBC waarbij het strottenhoofd en omgeving geïnfecteerd raakt en afsterft. Voorzien van het H.H. Sacramenten der Stervenden komt hij uiteindelijk op 31 augustus 1942 in het St. Elisabeth ziekenhuis te overlijden, hij is dan 32 jaar oud.
Het fascistische orgaan “ het Nationale dagblad voor het Nederlandsche volk ” maakt hier in de vorm van een overlijdensadvertentie, op 2 september 1942, melding van. Zijn begrafenis gaat in Katwijk niet onopgemerkt voorbij. Op donderdagmorgen 3 September om 10 uur vindt de uitvaartdienst voor Bröcker plaats in de parochiekerk van de H. J. de Dooper in Katwijk aan den Rijn. Zijn lichaam wordt echter niet bijgezet op het nabijgelegen RK kerkhof, maar wordt begraven op de Algemene begraafplaats in Katwijk aan Zee.
Een katholiek begraven in Katwijk aan Zee was in de die tijd hoogst ongebruikelijk en dus het gesprek van de dag. De teraardebestelling van Bröcker wordt bijgewoond door een grote delegatie van de NSB. Bij het laten zakken van de kist wordt er een luid Houzee gescandeerd over de begraafplaats aan de Zuidstraat .
Moge onze Heer Jezus Christus door deze heilige zalving en door Zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van Zijn Heilige Geest Moge Hij u van zonden bevrijden, u heil brengen en verlichting geven.
H.H. Sacramenten der Stervenden
Wat de werkelijk rol van Robert Bröcker voor en tijdens de oorlog is geweest is niet duidelijk. De details zullen nooit openbaar worden. We mogen aannemen dat er in het kader van de Nederlandse kustverdediging en de aanwezigheid van vliegveld Valkenburg ook in Katwijk, zogenaamde V-Männer, actief zijn geweest bij het doorspelen van informatie naar Duitse inlichtingendiensten.

De registratie van het overlijden van Robert Bröcker als lid van de L.W.S. Bundesarchiv
Er wordt aangebeld bij de woning van ir. Felix Guljé, aan de van Slingelandtlaan in Leiden. Het is tien uur s’avonds op 1 maart 1946 en in het donker staat een jonge vrouw die aan Guljés echtgenote vraagt of ze hem kan spreken. Ze heeft een brief voor hem die ze graag persoonlijk wil overhandigen. Mevrouw Guljé roept nietsvermoedend haar man en hoort even later een oorverdovende knal. Ze rent naar de deur en vindt haar man neergeschoten in de gang.
Deze koelbloedige liquidatie zou jarenlang onopgelost blijven. Pas in 2011 bekende de toen 96-jarige Atie Ridder-Visser dat zij de ingenieur destijds had gedood omdat hij gecollaboreerd zou hebben met de bezetter. Achteraf bleek dat Guljé een dubbelrol zou hebben gespeeld waarbij hij ook verzetsactiviteiten uitvoerde.
Gerarda Alida Visser, geboren in Rotterdam op 23 juli 1914, werkte als stenotypiste bij Lever’s zeep in Rotterdam. Vanwege het schrijnend gebrek aan grondstoffen konden veel producten niet meer gemaakt worden. Atie deed de hele dag dan ook niet veel anders dan het overtypen van artikelen uit illegale krantjes om deze dan weer bij diverse adressen in de stad te verspreiden. In het voorjaar van 1944 was ze op 29 jarige leeftijd toegetreden tot de knokploeg van Marinus Post. In de eerste instantie als koerierster maar ook begon ze al snel deel te nemen aan de overvallen op distributiekantoren.

Atie in haar functie van arrestatiecommandant in Rijnsburg, rechts van haar Ds Henk Post. Genootschap Oud Rijnsburg
De KP Marinus Post had in die periode zijn standplaats in Leiden en Rijnsburg. Atie had inmiddels de schuilnaam Karin aangenomen en zat ondergedoken in Leiden bij Lies en Daan Verpoorte. De katwijker Herman Lugthart was in die periode ook lid van de KP. Na het sneuvelen van Pieter Maaskant bij de overval op het gemeentehuis van Katwijk aan Zee was hij Marinus z’n zesde man geworden. Atie pendelde heen en weer tussen Rijnsburg en Leiden, bracht pakketjes en boodschappen van Dr. van der Laan en Ds Henk Post naar Marinus. Ook was zij verantwoordelijk voor het transport van wapens die gebruikt werden bij de overvallen van de KP. Op 20 oktober 1944 wordt Marinus gearresteerd bij een liquidatiepoging in Amsterdam en op 17 november van dat jaar gefusillieerd in Alkmaar. De KP valt daarop uiteen, een gedeelte duikt onder in het oosten van het land. Atie blijft in Leiden.
Na de oorlog, medio mei 1945, was Atie werkzaam als arrestatiecommandant bij de Binnenlandse Strijdkrachten in Rijnsburg. In een klein gebouwtje naast de Wilhelminaschool had de BS haar kantoor. Het hokje bevatte alleen een keukentafeltje met een adressenbak en een schrijfmachine erop, en vier stoelen. Er waren in Rijnsburg de nodige arrestaties verricht en daarbij kwamen haar vaardigheden als stenotypiste goed van pas. Arrestatierapporten moesten worden uitgetikt op het weinige papier wat beschikbaar was.
Hierna vertrok Atie naar Leiden om en nam dienst bij bij de Politieke Opsporingsdienst in Leiden. Deze dienst, gevestigd in de Doelenkazerne, was belast met het opsporen en arresteren van collaborateurs, NSB-ers en zwarthandelaren. De voormalige KP leider Dick Spoor, die na de dood van Marinus in 1944 de leiding over de groep had overgenomen, vertelde Atie over de tolbrug tussen Oegstgeest en Warmond die door het verzet was gesaboteerd, maar door het bedrijf van Felix Guljé zou zijn gerepareerd. Besloten werd deze Guljé alsnog te liquideren. Toen ze in het dossier van Guljé keek was dat echter leeg. Desondanks werd de liquidatie toch uitgevoerd, met hulp van Spoor en een derde persoon.
Hij was een collaborateur en het herbouwen van die brug was landverraad. Hij had na de oorlog een paar maanden vastgezeten in een interneringskamp voor foute Nederlanders, maar was weer vrijgelaten. Daar was iedereen uit het voormalig verzet razend over, ik ook. En ik werd steeds bozer. Langzaam groeide het plan hem om te brengen.
Atie Visser
Trouw – 23 augustus 2014

Het legitimatiebewijs van het lidmaatschap van de Nederlandse Knokploegen. P. Lughthart
In 1947 vertrok Atie naar Nederlands Indië en ontmoette daar haar toekomstige echtgenoot, Herman Ridder, met wie ze trouwde en enkele jaren mee terugkeerde naar Holland. Na jaren in de anonimiteit was ze in 2011 weer landelijk nieuws. In een brief aan de burgmeester Lenferink van Leiden had ze, vanwege wroeging over haar daad, de moord op Guljé alsnog opgebiecht. De moord was al verjaard dus ze werd niet vervolgd en hoefde ook haar, in 1982 ontvangen Verzetsherdenkingskruis, niet in te leveren. Spijt van haar daad heeft ze nooit gehad. Atie Ridder-Visser overleed op 20 augustus 2014 op honderdjarige leeftijd.
D’r zit een goeie onder de toren !Hoe had ik het kunnen weten? Ik was er toen van overtuigd dat ik het goede deed.
Atie Visser
Trouw – 23 augustus 2014
Veldwachter van Veen haast zich in het donker naar het huis van Dr. van der Laan aan het Rijnsburgse Rapenburg. Hij klopt aan en wordt binnengelaten. Naast Edzard van der Laan treft hij in het doktershuis ook Dominee Henk Post en diens broer Johannes aan. Van Veen zegt tegen het drietal “D’r zit een goeie onder de toren en die moet er direct uit!” Hier is de sleutel, die moet ik over een half uur weer terughebben.
Die “goeie onder de toren” was Nicolaas Bleichrodt, eigenaar van een textiel en fourniturenwinkel aan de Vliet ZZ in Rijnsburg. Net als de de overige leden van de Rijnsburgse verzetsgroep van lieverlee in allerlei verzetsactiviteiten gerold. Een samenloop van omstandigheden die hoofdzakelijk werd gevoed door de samenwerking Dr. Edzard van der Laan en Ds. Henk Post, broer van Johannes en Marinus die beiden landelijk opererend met hun eigen KP, frequente bezoekers van Rijnsburg waren. Er werden bonkaarten en persoonsbewijzen vervalst, onderduikers ondergebracht en illegale krantjes gedrukt. Dat het een keer fout zou kunnen gaan wist Bleichrodt eigenlijk wel, maar daarvoor had hij een keurig plan uitgedacht. Als de Duitsers voor de deur zouden staan, dan zou hij snel aan de achterkant van het huis uit het raam springen en door het land naar Dr. Van der Laan of dominee Post vluchten.

Nicolaas Bleichrodt, lid van de Rijnsburgse verzetsgroep. H. Bleichrodt
Op 27 april 1944 wordt er ’s avonds plotseling hard op de deur van de winkel gebonst en geschreeuwt in het Duits. Bleichrodt weet dat het zover is, ze komen hem halen. Hij rent naar achteren om uit het raam te springen maar ziet tot zijn ontzetting allemaal Duitse soldaten over de schutting kijken. Hilde Bleichrodt staat net de Duitse commandant te vertellen op zijn vraag; “Wo ist Ihr Mann”, dat zij hem al geen tijden gezien heeft, als ze tot haar verbazing haar man aan ziet komen en zegt quasi-verbaasd, “Wat doe jij hier?” Op haar beurt niet wetende dat het hele huis al omsingeld was. De Duitser vraagt op zijn beurt “Ist dass Ihr Mann? … Und Sie haben gesagt das er nicht da war”. Waarop Bleichrodt boos antwoordt “Wir verraten einander nicht, Wir sind keine Deutschen!”.
Nicolaas Bleichrodt wordt vervolgens door de Duitsers meegenomen en brengen hem naar de cel onder de toren van het NH kerk. Hij wordt daar overgedragen aan veldwachter Van Veen die hem geboeid in de cel zet. Zijn veters worden uit zijn schoenen gehaald en hij moet zijn riem afdoen. Hij probeert nog op Van Veen in te praten maar die geeft geen gehoor. De veldwachter zegt tegen een jonge agent; “Denk erom dat je goed op hem past, ik moet nog even weg”. Het Duitse arrestatiecommando is inmiddels richting Katwijk vertrokken om nog een aantal mensen te arresteren. Veldwachter van Veen krijgt te horen dat ze op terugweg Bleichrodt weer op zouden komen halen.

Nico Bleichrodt (rechts) en zijn ‘bevrijder’ Edzard van der Laan (links) na de oorlog. H. Bleichrodt
Inmiddels hebben Van der Laan en de gebroeders Post zich met de sleutel van de cel binnengelaten en de jonge agent die Bleichrodt moest bewaken een flinke klap op zijn hoofd gegeven. De goede man wordt vervolgens vastgebonden en Bleichrodt wordt door het drietal weer uit de cel gehaald. Als de Duitsers weer terugkomen om Bleichrodt op te halen vinden ze niets meer dan een lege cel en een toegetakelde agent. Nicolaas Bleichrodt heeft diezelfde nacht in aller ijl zijn spullen gepakt en is naar familie in Baarn vertrokken om daar onder te duiken. Zijn vrouw Hilde is eveneens die nacht met spoed vertrokken, Van hun drie kinderen ging Freek naar Ds van der Loo, Jaap ging naar Fie en Gerrie Schoneveld en Nico bleef bij zijn moeder. Bleichrodt keert tijdens de duur van de oorlog nog slechts éénmaal terug naar Rijnsburg. Dit is om de doop van zijn zoon Johannes bij te wonen. Na de plechtigheid verdwijnt hij echter weer zo snel als hij was verschenen.
De dagboekjes van Gerrit van DelftDe geboorte van Prinses Beatrix en de Duitse inval op 10 mei 1940 zijn allemaal belangrijke gebeurtenissen in het jonge leven van Gerrit van Delft. Dusdanig belangrijk dat hij ze als kleine jongen vastlegt in een serie dagboekjes. Zijn cijfers op school, cadeaus die hij krijgt voor zijn verjaardag en zijn avonturen met vriendjes, alles legt hij minutieus vast in deze dagboekjes.
Geboren in 1932 als eerste zoon in het gezin Van Delft brengt Gerrit onbezorgde eerste levensjaren door in de Burgemeester Meijboomstraat 7. Vader Van Delft zit in de bloemen en gaat dagelijks naar Den Haag om daar zijn waar aan de man te brengen. In 1937 krijgt kleine Gerrit er een zusje bij en is hij niet meer een jongetje alleen. Als goed Gereformeerd gezin wordt er op zondag niet gefietst en gaat men twee keer per dag naar de kerk. In 1939 gaat jonge Gerrit op bijna 7 jarige leeftijd voor het eerst naar de lagere school. Zijn moeder heeft hem dan al leren lezen en schrijven. Hij komt op de Julianaschool in de Hofstraat terecht. Echter als de Mobilisatie wordt afgekondigd en de Julianaschool wordt gevorderd door het Nederlandse leger worden de leerlingen verplaatst naar de Smidstraatschool.

Het gezin Van Delft in 1942. G. van Delft
De eerst kennismaking van Gerrit met de oorlog is op 10 mei 1940 als hij s’ochtends vroeg gewekt wordt door het lawaai van laag overvliegende vliegtuigen. Hij loopt van de Burgemeester Meijboomstraat naar de Kanaalstraat waar onderwijzer Van de Veen woont. Die weet hem te vertellen dat het Duitse vliegtuigen zijn. De hele familie komt bij elkaar in afwachting wat er zal gaan komen. Opa en Oma wonen op de Voorhouterweg en daar komt iedereen samen. In de woonkamer worden matrassen neergelegd en zo worden de eerste oorlogsdagen doorgebracht. Bij een bezoek aan de familie Glasbergen in het Moleneind hoort hij dat Soldaat Dirk van Delft is gesneuveld bij de gevechten in de Zanderij.
In 1942 verhuisd het gezin naar de Voorhouterweg 21. Dit was weliswaar van een nieuwbouwhuis naar een aanzienlijk ouder huis, maar Vader Van Delft wist dat er achter de Voorhouterweg landbouwgrond lag en kassen stonden en zag hier meer mogelijkheden dan in de Burgemeester Meijboomstraat om zijn bloemenhandel uit te breiden. Van een huis met een badkamer met een bad naar een huis met een plee en een beerput aan de achterzijde van het huis. Dat was wel even wennen.
Het is 1943 als Dr. Edzard Van der Laan op een dag voor de deur staat met de vraag of het gezin Van Delft een onderduiker in huis kan nemen. Als Dr. Van der Laan iets vroeg dan werd dit in de regel niet geweigerd en dus kwam er een jongeman bij het gezin Van Delft in huis. Hij heette Ad Versney en was een 20 jarige student journalistiek uit Leiden die geweigerd had om de loyaliteits verklaring te tekenen. Studenten moesten beloven dat ze zich zouden ‘onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk enzovoort gerichte handeling’. De belofte moest schriftelijk worden gedaan, door een verklaring te tekenen. Mannelijke studenten die niet tekenden, werden werkloos, en zouden opgeroepen worden voor de Arbeitseinsatz.
Het feit dat Versney een student was en tien jaar ouder was dan hem maakte op Gerrit een grote indruk op. Versney vertelde hem van alles over de oorlog en spoorde hem aan om zijn belevenissen vast te leggen in een dagboekje. Leergierig als Gerrit was zag Versney in hem de potentie om ook te gaan studeren en stimuleerde dit dan ook. In huize Van Delft was men goed op de hoogte van het verloop van de oorlog, het illegale krantje Trouw werd gelezen en Versney, handig als hij was met elektronica, had een zelfgebouwd ontvangertje in elkaar geknutseld. De berichten die via Radio Oranje doorkwamen werden door Gerrit nauwkeurig vastgelegd in zijn dagboekje.
Ad Versney was in Rijnsburg merkwaardig genoeg de onderduiker die iedereen kende. Hij had nogal een uitbundig karakter en was ook werkzaam bij de gaarkeuken. Daar hield hij de administratie bij en bracht bij tijd en wijlen lekkere soep mee voor zijn onderduikfamilie. Versney die van katholieke afkomst was past zich naadloos aan aan de Gereformeerde levensovertuiging van het gezin Van Delft. Hij zit achter het orgel, speelt psalmen en wordt uiteindelijk zelfs verliefd op Gereformeerd meisje, Hennie Ravensbergen genaamd. In 1944 komt er weer gezinsuitbreiding en krijgt Gerrit er nog een zusje bij.

Één van de dagboekjes van Gerrit Van Delft. E. Wolthaus
Vanuit een basisschool uit Rijnsburg kon je niet verder doorstromen naar een voorgezette opleiding, daarom gaat Gerrit na vier jaar naar de Stadsschool aan de Hooglandse Kerkgracht in Leiden. Dit was een vooropleiding voor HBS en Gymnasium en duurde tot 1945, daarna ging hij naar de middelbare school. Heel vaak in de oorlog kon hij niet naar school, hij had alleen een fiets met houten banden en soms was het gewoon te slecht weer om naar Leiden te gaan. Ook was er in de winter geen of nauwelijks verwarming in de lokalen. Eind 1944 was Leiden tevens het toneel van geallieerde luchtaanvallen om het transport van V1 raketten te verhinderen. In het laatste schooljaar kwam hoofdonderwijzer Meester Meijer helemaal uit Leiden naar Rijnsburg om aan een aantal jongens les te geven. Dit vond plaats in een speciaal daarvoor ingerichte kamer in het het huis van de familie Noort aan de Vliet Zuidzijde nr. 5. Meijer bleef dan tussen de middag eten en kreeg dan tevens groente en andere levensmiddelen mee voor thuis.
Ik heb eigenlijk niet zo veel nare dingen in de oorlog meegemaakt. Ik leefde mijn leven, mijn vader ging naar zijn werk en we hadden het toch redelijk goed. Ik heb een warme harmonieuze jeugd gehad.
Gerrit Van Delft
Mei 2015
Na de bevrijding van Zuid Nederland weet Versney, avontuurlijk als hij is, langs de vijandelijke linies te komen en verblijft enkele maanden in Brabant. Gerrit vindt het vreselijk als zijn grote vriend en mentor vertrekt. Na de bevrijding komt hij uiteindelijk toch weer terug naar Rijnsburg. Gerrit gaat vervolgens naar het gymnasium. In de eerste instantie om dominee te worden, want dat was het hoogst bereikbare destijds in Rijnsburg. Totdat in zijn vierde jaar Dr. Van der Laan, zelf domineeszoon, tegen hem zegt: “Jongen, dominee is chronische armoede, je kunt beter dokter worden!”. Gerrit neemt dit ter harte en besluit tenslotte om arts te worden.
Oberst Kurt Heyser en I.R.47Een naam onomstotelijk verbonden met de Duitse aanval op het vliegveld Valkenburg is die van Oberst Kurt Heyser. Onder het bevel van Gen. Lt. Graf Hans von Sponeck had hij de leiding over I.R.47 die op de 10e mei 1940 de opdracht hadden het vliegveld te bezetten.
Het plan was om met 53 JU-52 transportoestellen om 03:50 vanaf vliegveld Lippstadt te vertrekken om vervolgens om 05:20 op Valkenburg te landen. Na de landing op het nog in aanleg zijnde veld werden de eenheden van het I.R. 47 al snel door de Hollanders van het vliegveld verdreven en gedwongen om zich richting het dorp Valkenburg te begeven.

Oberst Kurt Heyser. E. Wolthaus
Kurt Heyser wordt geboren op 21 augustus 1894 in de Duitse deelstaat Nedersaksen. In september 1913 neemt hij als 19 jarige dienst als onderofficier in het Duitse leger. Zijn promotie tot Luitenant volgt op 6 augustus 1914. Na de Duitse capitulatie in 1918 neemt Heyser op 1 november 1919 dienst bij de Sicherheits Polizei in het Noord Duitse Bremen. In oktober 1935 wordt deze dienst ondergebracht bij de Wehrmacht. Heyser krijgt als Majoor het bevel over het 1ste bataljon van de 47ste Infanterie Regiment.

Een feldpostbrief van een jonge Kurt Heyser uit zijn tijd als Fahnenjunker, gedateerd op 18 juli 1915. E. Wolthaus
Nadat de Duitsers het vliegveld aan de Hollanders op hadden moeten geven, werd door de staf van Heyser een commandopost en lazaret ingericht in de boerderij van Willem van Egmond aan de Achterweg 11 in Valkenburg. Heyser ontving hier op tweede Pinksterdag, maandag 13 mei, burgemeester De Wilde. Die kwam zich beklagen over de oorlogsschade aan zijn huis en het bedreigen van burgers door Duitse soldaten. Heyser gaf aan dat hij de handelswijze van zijn mannen ten zeerste afkeurde en beloofde maatregelen te nemen.
De Wilde deed daarop het verzoek aan Heyser om de vrouwen, kinderen en gewonden te mogen evacueren uit het dorp. Hij zou hiervoor ook een beroep doen op de Hollandse commandant in Katwijk. “Heeft u nog te eten” werd hem vervolgens door de Duitsers gevraagd. Toen het antwoord nee betrof kreeg De Wilde twee flessen melk mee en werd weer terug naar het dorp gestuurd.
Heyser, die het gelukt was om levend uit zijn JU-52 transportvliegtuig te komen, raakt op 13 mei gewond aan zijn rechterschouder en is vervolgens gedwongen om zijn arm in een mitella te dragen. Hollandse artillerie nam hoeve Zonneveld onder vuur waarbij Heyser gewond raakte en niet langer in staat is om het bevel te blijven voeren over I.R. 47.
Majoor dr. H. Aicholz neemt het bevel van hem over. Heyser is inmiddels van alle kanten volledig ingesloten en raakt in de dag die volgt steeds verder in het nauw gedreven. Totdat tenslotte het nieuws van de Nederlandse capitulatie bekend wordt en de omsingelde Duitsers in Valkenburg uit hun benarde positie bevrijdt worden. Op 16 mei 1940 is hij voldoende hersteld van zijn verwondingen om op de stoep van Hotel Restaurant de Zwaan een overwinningsparade bij te wonen waarbij de eenheden van I.R. 47 over de boulevard van Katwijk aan Zee marcheren.

Oberst Kurt Heyser, hier links afgebeeld met één van zijn officieren in Hotel Restaurant de Zwaan aan de Katwijkse boulevard.
Oberst Kurt Heyser zal voor zijn verdiensten in de meidagen op 26 mei 1940 het Ridderkruis ontvangen. Heyser zal tot juli 1941 het bevel blijven voeren over I.R. 47. Op 1 augustus 1943 wordt hij tot Generaal Majoor bevorderd en voert tot aan de Duitse overgave in mei 1945 diverse commando’s. Hierna verdwijnt hij tot juli 1947 in krijgsgevangenschap. Op 20 april 1974 komt Kurt Heyser op 79 jarige leeftijd in Bremen te overlijden en wordt begraven op Friedhof Rensberg aldaar.