Erik Wolthaus Het zeevarend bestaan van Arie Nijgh

Arie Nijgh wordt op 4 december 1905 geboren in een geslacht van zeevarenden. Als vanzelfsprekend kiest ook hij voor een bestaan op zee. In 1933 trouwt hij met Klaasje Plokker en al snel wordt zoon Willem geboren. Enkele jaren later, in 1936 gevolgd door dochter Corrie. Arie voer vanaf die periode op verschillende vissersschepen tot aan de behouden teelt Het einde van de haringvisserij in december. van 1939.

De oorlog verklaard

Engeland en Frankrijk hebben Duitsland de oorlog verklaard nadat Duitsland Polen binnenviel. Dit had tot gevolg dat er tijdelijk een visserij verbod werd ingesteld. Mogelijk voelde Arie dit als voorteken voor nog meer beperkende maatregelen in de visserij en was dit voor hem reden om begin 1940 te tekenen bij de Rotterdamsche Lloyd.

Naar Nederlands Indië

In februari 1940 zet Arie vanuit Rotterdam koers richting Soerabaja met het s.s. SITOEBONDO Getorpedeerd en vergaan op 30 juli 1941. . Als hij daar aankomt kijkt hij zijn ogen uit. In de haven liggen prachtige grote schepen. Het landschap en haar prachtige natuur is oogverblindend mooi.

Arie Nijgh H. Nijgh

Begin mei 1940 werkt hij op het m.s. DEMPO van de Rotterdamsche Lloyd. Kort daarna breekt in Nederland de oorlog uit. Ook in Nederlands-Indië is dit meteen te merken. De Koninklijke Marine dwingt de Duitse bemanning van de Duitse rederij HAPAG van hun schepen en bemand deze met Hollandse zeelui. Een aantal van deze zeelui komt van de m.s. SIBAJAK en om de bemanning van dat schip aan te vullen wordt Arie van het opgelegde m.s. DEMPO naar de SIBAJAK verplaatst. Op 10 mei 1940 vertrekt Arie met de SIBAJAK voor een kustreis van Priok naar Perak. Daarna werkt hij nog korte tijd aan boord om vervolgens te worden teruggeplaatst naar de DEMPO. Een geluk voor Arie, want een deel van de bemanning gaat over naar de s.s. SLAMAT.  Echter dit schip zal eind april 1941 deel uit maken van een van de grootste rampen uit de Nederlandse scheepvaartgeschiedenis waarbij 983 mensen het leven lieten.

Met goud naar Amerika

Vanaf 6 juli 1940 vaart Arie weer op de DEMPO. Ze reizen op de zogenaamde Java New York Lijn Een Nederlands - Britse dienst tussen het voormalige Nederlands-Indië en de oostkust van de VS. . Deze lijn voorziet de Verenigde Staten in de enorme behoefte aan grondstoffen uit Nederlands-Indië. Op een van deze reizen wordt ook de goudvoorraad van het Gouvernement verscheept naar Fort Knox. Als de goudvoorraad aan boord wordt gebracht gaat dat zonder al te veel poespas. Weinig tot geen beveiliging en de arbeiders lopen met een goudstaaf op de schouders over de loopplank het schip op. Eenmaal in Amerika gaat dat wel anders. Talloze zwaarbewapende agenten houden de goudvoorraad scherp in de gaten als het van boord gaat en in de waarde-transportwagens wordt geladen.

Troepentransportschip

Na haar reizen op de Java – New York-lijn wordt de DEMPO in Liverpool omgebouwd. Haar luxe accommodaties en hutten worden gekraakt en geschikt gemaakt voor troepentransport. Duizenden haken worden aan de stalen plafondbalken gelast waar later de hangmatten aan kunnen worden bevestigd. Vanaf augustus 1942 worden op de Todd werf in New York versterkingen ingebouwd om het boordgeschut te kunnen aanbrengen.

Operatie Toorts

Arie neemt begin november 1942 met het m.s. DEMPO deel aan operatie Toorts, de bevrijding van Noord-Afrika. Tijdens die reis zijn er waarschijnlijk ook andere Katwijkers aan boord. Op de bemanningslijsten uit die tijd staan namen als Cornelis Vooijs, Maarten Arie van der Boon en Willem Guijt. In hetzelfde konvooi varend op een ander schip is Katwijker Cornelis Haasnoot op het m.s. ALPHARD. Cornelis vertrekt al enkele dagen eerder richting Gibraltar maar omdat het m.s. DEMPO behoort tot de snellere passagiersschepen komen ze gelijktijdig aan.

Aanvalsschepen

De DEMPO behoort tot één van de vier Nederlandse aanvalsschepen. Over de aard van de strategische inzet van de DEMPO bij deze operatie werd in een officiële mededeling het volgende gesteld: “vier Hollandse schepen zijn benoemd tot zogenaamde aanvalsschepen. Zij varen in de eerste aanvalslijn en moeten als eerste hun troepen en voorraden ontschepen, zodoende lopen zij logischerwijs ook het grootste risico”.

De m.s. Dempo omgebouwd naar troepentransport schip. H. Nijgh

Voor anker bij Matifou

Tijdens Operatie Toorts ankerde de DEMPO op 9 november om 09.00 uur een periode bewesten kaap Matifou. Daar kregen zij gedurende de loop van de dag zware aanvallen te verduren waarbij al het beschikbare afweergeschut werd ingezet om aan de aanvallen te beantwoorden. Er viel een bom precies tussen de buitenboord hangende reddingboten B.B.3 en B.B.4 door en suisde rakelings langs de scheepshuid het water in. Hij ontplofte in de modder onder het schip maar door de schok van de ontploffing raakte de klepkasten van de uitlaten in de machinekamer beschadigd en er ontstond lekkage in het Javanen-verblijf achteruit. Ook raakte door de schokken de verlichting en de dynamo’s beschadigd. Het Sperry-kompas raakte onklaar en ook het echoloodsysteem raakte zodanig beschadigd dat het onbruikbaar was. Toch kon de DEMPO na reparaties haar werk voortzetten en wist uiteindelijk de haven van Algiers te bereiken om aldaar de laatste troepen en uitrustingen aan wal te zetten. Na deze missie keerde de DEMPO veilig in Liverpool terug.

De wereld rond

Tijdens zijn oorlogsvaarten deed Arie met de DEMPO verschillende havens aan over het rond der aarde. Singapore, New York, Liverpool, Aden, Freetown, Bombay, Durban, Batavia, Halifax, Alexandria, Kaapstad Gibraltar en Napels Tijdens al deze oorlogsvaarten werden Arie en zijn collega bemanningsleden continu blootgesteld aan de dreiging van de oppermachtige Duitse U-boten, zeemijnen en de bommenwerpers van de Luftwaffe en natuurlijk ook de Japanse Marine en luchtmacht.

Een ontploffing in Liverpool

Er was altijd die permanente dreiging die hen het gevoel moet hebben gegeven zelden of nooit veilig te zijn. Zelfs in het dok in Liverpool kon men zich niet veilig voelen, want daar gebeurde het dat een volgeladen munitieschip een voltreffer kreeg en ontplofte. De DEMPO, die gelijktijdig in het dok lag kreeg het bij deze ontploffing ook zwaar te verduren. De stukken staal van het ontplofte schip zaten door de hitte vast gelast op het dek van de DEMPO en ook op de DEMPO zelf waren slachtoffers te betreuren door dit voorval.

Terug naar de Middellandse zee

Begin 1944 kreeg de DEMPO de opdracht om vanuit Liverpool terug te keren naar de Middellandse zee. Na aankomst in het Noord-Afrikaanse Oran moest de het schip troepen en voorraden transporteren voor de geallieerde legers in Italië. Op 14 maart stapten 3400 Amerikaanse militairen van boord in Napels en een dag later voerde het schip in ballast als onderdeel van konvooi SNF-17 terug naar Oran. Het schip werd daarbij beschermd door een luchtafweerkruiser en vijf torpedobootjagers. Tot in de ochtend van 17 maart 1944 verliep de reis zonder noemenswaardige problemen. Het was een kalme zee onder een heldere lucht.

Getorpedeerd

Nog diezelfde ochtend werd de DEMPO getroffen door een torpedo aan de stuurboordzijde van het schip. Omdat de DEMPO slechts 30 mijl uit de wal voer probeerde kapitein Willem Jansen het schip nog in ondiep water te brengen door het konvooi te verlaten en koers te zetten naar de wal. Desnoods wilde hij haar op strand zetten. Toch moest de kapitein dit plan staken omdat de waterdichte schotten in de machinekamer bezweken onder de enorme waterdruk. De naden begonnen te scheuren en de nagels schoten eruit. De machinisten moesten vluchten en door het instromende water vloog het schakelbord in brand waardoor het schip stuurloos werd. De bemanning kon met de sloepen de kust bereiken en anderen werden opgepikt door de begeleidende schepen uit het konvooi. De volledige bemanning, 333 man, overleefde de ramp.

Alles kwijt

Arie was al zijn spullen kwijt, die waren ten onder gegaan met de DEMPO. Alleen zijn monsterboekje, een paspoort van Soerabaja en wat ID-kaartjes die hij waarschijnlijk in het waterdichte kokertje om zijn nek had bleven bewaard. Eenmaal terug in Liverpool werd Arie voor een paar reizen op het m.s. JOHAN VAN OLDENBARNEVELT geplaatst om daarna tot ruim na de oorlog weer op het m.s. SIBAJAK dienst te doen.

Geëvacueerd naar Nijkerk

In het kader van de evacuatie van het Sperrgebiet moest Arie’s vrouw Klaasje met hun twee kinderen en zijn schoonmoeder, die in de 3e Kanaalstraat Nu de Saksenstraat in de Rooie buurt. woonden, noodgedwongen evacueren naar Nijkerk. Eind juni 1945 konden ze pas weer terug naar Katwijk komen.

Holkerstraat 16, het evacuatieadres van de familie Nijgh in Nijkerk. H. Nijgh

Weer thuis!

Op zondag 2 september 1945 liep de SIBAJAK de haven van Rotterdam binnen. Niemand die ze op de kade opwachtte want het bericht van haar aankomst had de autoriteiten niet tijdig bereikt. Vanwege onderhoud moest hij nog enkele dagen aan boord blijven, op 7 september mocht hij naar huis. Ruim 68 maanden was hij van huis geweest. Zijn vrouw en kinderen hadden hier in Holland vijf jaar oorlog meegemaakt en hij was er niet bij geweest. Enkele weken later meldde Arie zich weer in Rotterdam op de SIBAJAK waar na enige tijd weer koers gezet werd naar Indonesië. Op 21 juni 1946 na terugkeer op Nederlandse bodem liet hij de koopvaardij definitief achter zich en koos voor een bestaan aan de wal.

Erkenning

Zoals zovelen praatte Arie niet over wat hij had meegemaakt. Ieder had zijn eigen oorlogsverleden en Nederland moest worden opgebouwd. Er is lange tijd nauwelijks erkenning geweest voor de rol van de koopvaardij in oorlogstijd. In de naoorlogse jaren ontving hij een oorlogsherinneringskruis met de gespen: Oorlogsdienst Koopvaardij – Middellandse Zee en Oost Azië Zuid Pacific. Hij maalde er niet om. Zijn vrouw heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat hij de medaille niet terugstuurde. Gelukkig maar, want het was deze medaille die kleinzoon Hubert Nijgh inspireerde om de oorlogsjaren van zijn opa te achterhalen en hem in de gelegenheid stelde om voor zover het in zijn vermogen lag toch een stukje erkenning te geven aan de belangrijke bijdrage van de koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog en aan de Katwijkers die hierbij het leven lieten.

Op 7 november 1949 wordt Arie Nijgh het Oorlogsherinneringskruis toegekend. H. Nijgh

Zij hielden koers

Tekst op het Rotterdamse monument voor de Koopvaardij, De Boeg.

De aanval bij de Postbrug

Op de ochtend van de 10e mei 1940 is een colonne van I-9R.I onderweg in de richting van Leiden. Achter het stuur van één van de bussen zit de 43-jarige Willem Marinus Kors uit Haarlem, beter bekend als ‘Ome Rinus’. De manschappen van I-9R.I zijn eerder die dag vanaf de Dreef in Haarlem vertrokken in autobussen van de firma Leo Kors uit Heemstede en de firma Stormvogels uit IJmuiden. Naast de bussen bestaat de colonne uit een aantal vracht en volgwagens met materieel.

A44

Na een rit door Heemstede, Bennebroek, Hillegom en Lisse bereikt de colonne Sassenheim. Bij wegrestaurant “de Uiver” wordt een tussenstop gemaakt alvorens de wagens even voorbij de Sikkens fabriek, in de richting van Den Haag, de A44 opdraaien. Hierbij wordt een eenheid van het 6e Bereden Artillerie gepasseerd. Met als thuishaven de Leidse Doelenkazerne maar tijdens de Mobilisatie ondergebracht in Lisse en Sassenheim zijn deze onderweg naar Oegstgeest om stelling te nemen bij kasteel Oud Poelgeest.

Vliegtuigen

De plek des onheils aan de A44 anno 2020, met rechts de plaats waar de bus reed toen deze getroffen werd. E. Wolthaus

Omtrent drie uur in de middag klinkt er dreigend motorgeronk in de verte. Het zijn vliegtuigen! Eerst wordt er aangenomen dat het om Nederlandse toestellen gaat maar het blijken Duitse jachtvliegtuigen te zijn die de colonne laag tegemoet komen. Een span paarden van 1-6-BA slaan op hol. De 21-jarige Wachtmeester Christiaan Leonard van den Broek uit Dordrecht probeert ze tegen te houden maar wordt meegesleurd. Hij valt en komt onder de wagen terecht. Hij wordt twee dagen later in Oegstgeest bij het Groene Kerkje begraven.

Zoek dekking!

Paniek breekt uit, men probeert dekking te zoeken onder de voertuigen en het viaduct, enkelen rennen de weilanden in. Met een lichte mitrailleur en handwapens wordt tevergeefs gepoogd om enige tegenstand te bieden aan de naderende jagers. De boordmitrailleurs van de toestellen zaaien dood en verderf onder de Nederlandse soldaten op de grond. De Duitse jagers draaien vervolgens ter hoogte van Endegeest en zetten voor een tweede keer in duikvlucht de aanval in. Het voorste toestel werpt hierbij een drietal bommen af waarbij één van de bussen wordt geraakt.

Vlammen

De voltreffer zet de bus in lichterlaaie en de mannen in de bus zitten gevangen. Ze kunnen geen kant op en verbranden levend. Ontploffende munitie in de patroontassen van de soldaten richt nog meer schade aan. De bus brandt als een fakkel en versperd de weg voor de overige voertuigen van de colonne. De gewonden worden in allerijl in een vrachtwagen van transportbedrijf Van der Luyt uit Sassenheim naar het Academisch ziekenhuis Leiden gebracht.

Belangstellenden bekijken de uitgebrande bus. E. Wolthaus

Begraven in het weiland

Er zijn in de eerste instantie zeventien doden te betreuren. Elf van hen zijn niet meer te identificeren en worden ter plekke begraven in één van de zojuist geslagen bomkraters in een weiland naast de A44. Onder hen is de ook de chauffeur van de bus, Marinus Kors. De rest van de gesneuvelden wordt bij het Groene kerkje in Oegstgeest begraven. Zeven manschappen zullen op een later tijdstip overlijden in het Academisch ziekenhuis in Leiden.

Door naar Valkenburg

De colonne van 9-R.I onder leiding van Vaandrig P.P. van Elsen houdt halt en overnacht naast de kant van de weg. De volgende dag trekt men verder waarna de eenheid onderdeel zal zijn van de derde tegenaanval op Valkenburg onder leiding van Overste BuurmanCommandant van 4R.I. . Van Elsen zal uiteindelijk hiervoor op 24 Juni 1950 in Den Haag onderscheiden worden met de Bronzen Leeuw.

Een monument

J. Bouwmeester in een kort geding tegen de gemeente Sassenheim. Nieuwe Apeldoornse Courant

J. Bouwmeester, de eigenaar van het weiland waar de elf gesneuvelden begraven werden, plaatste op eigen kosten en in overleg met de nabestaanden een monument op de plek van het graf. Dit bestond uit een kring van witte paaltjes met in het midden een zwart houten kruis. De gemeente Sassenheim vond dit ongepast en kwam met een voorstel van een 2.75 meter hoog stenen kruis. Dit schoot Bouwmeester volledig in het verkeerde keelgat en stapte naar de rechter.

Uiteindelijk werd besloten tot het plaatsen van een grafsteen met de namen van de gesneuvelden. Deze werd op onthuld door Burgemeester Jhr. Mr.R. Sandberg van Boelens, Op 17 mei 1941. Hij was hierbij in het gezelschap van Bouwmeester, Raadsleden, de Politie, Luchtbeschermingsdienst, nabestaanden en vele andere belangstellenden.

Het tweede monument voor de slachtoffers van de aanval op de Postbrug. E. Wolthaus

Naar de Grebbeberg

In maart 1973 wordt het graf in het kader van het verlopen van de tijd der beschikbaarstelling De tijd dat een graf kostenloos ter beschikking mag worden gesteld. geruimd en de lichamen hierbij overgebracht naar het militaire ereveld Grebbeberg in Rhenen. Inclusief het lichaam van Marinus Kors die hiermee de enige burger wordt op deze uitsluitend militaire begraafplaats.

Piet Kuijt en het massagraf op de Waalsdorpervlakte

Het aanzicht is verbijsterend en de stank is verschrikkelijk. Het is juli 1945 en op de Vlakte van Waalsdorp in de duinen van Meijendel bij Wassenaar is het een drukte van jewelste. In een duinpan is een massagraf gevonden en men is bezig met het opgraven van de slachtoffers.

Sleutelrol

Piet Kuijt wordt bevraagd door een journalist tijdens de opgravingen op de Waalsdorpervlakte. NIOD

De Katwijker Pieter Kuijt speelt een sleutelrol tijdens deze opgravingen. Hij heeft voorafgaand aan de opgravingen met zijn prikstok de plaatsen aangewezen waar de slachtoffers begraven liggen. Nu zit hij op een duintop en bekijkt meewarig het macabere schouwspel wat zich voor zijn ogen afspeelt. Een journalist is ter plaatse om verslag te doen van de opgravingen en heeft uitgebreid gesproken met Piet. Die op zijn beurt alle aandacht maar niks vindt en zijn hulp bij de opgravingen ziet als iets vanzelfsprekends.

Executies

Samen met de Haagse predikant G. Bos is Piet verantwoordelijk geweest voor het geven van de aanwijzingen die geleid hebben tot de ontdekking van het massagraf op de Waalsdorpervlakte. Zowel Gerrit Bos als Piet Kuijt waren tijdens de oorlog bij het uitoefenen van hun beroep in aanraking gekomen met de executies van ter dood veroordeelde verzetsstrijders. Deze zaten in afwachting van hun vonnis opgesloten in het beruchte Huis van Bewaring in Scheveningen, ook wel in de volksmond “het Oranje Hotel” genoemd.

Bajes Dominee

Gerrit Bos werd in 1936 beroepen bij de Nederlands Hervormde Kerk in Den Haag, en twee jaar later ook benoemd tot “bajes dominee”. Hij had dus, voordat de Duitsers de gevangenis in mei 1940 overnamen, al contact met de strafgevangenis en haar bewoners. Hij kreeg het uiteindelijk na veel moeite gedaan dat hij ook aandacht mocht besteden aan de geestelijke verzorging van de politieke gevangenen.

De Geuzen

Onder de slachtoffers in het massagraf bevinden zich ook de ter dood veroordeelden van het proces tegen de Geuzen verzetsgroep dat in februari 1941 groots in het nieuws was geweest. Op 13 maart 1941 om drie uur ’s middags had Gerrit Bos in zijn hoedanigheid als gevangenis dominee de executie van deze gevangenen bijgewoond. De locatie waar door de Grüne Polizei Duitse politie-eenheden die de dagelijkse politietaken moesten uitvoeren . de kuilen waren gegraven en waar na de executies de lichamen bedekt werden met ongebluste kalk had hij zich haarfijn weten te herinneren.

Ik beloof in deze ernstige tijden een goed Nederlands Geus te zullen zijn en mij geheel en onvoorwaardelijk te zullen houden aan de Geuzenwet en de commandantsvoorschriften.
Ik verklaar goed te vinden dat, zodra ik mijn belofte op enigerlei wijze schend, al mijn rechten en bezittingen overgaan op en ten bate van het Geuzenleger, of indien dit niet wordt opgeheven, op en ten bate van het Nederlandse staatsbestel”.

De eed afgelegd door de leden van de Geuzengroep.

Stille getuige

Kuijt was als helmplanter meerdere malen stille getuige geweest bij executies van verzetsstrijders die in de vroege morgen op het militaire oefenterrein op de Waalsdorper vlakte werden voltrokken. Piet kende het duingebied tussen Katwijk en Wassenaar als geen ander. Iedere duinpan, ieder prikkelbosje, elk dalletje kende hij op z’n duim. Als hij tijdens zijn werkzaamheden in het duin een vers gedolven graf tegenkwam werd deze plek onopvallend doch voor hem herkenbaar gemarkeerd.

Piet de Roe

Piet Kuijt op schoot bij moeder Lena. P. Kuijt

Pieter Kuijt, beter bekend als “Piet de Roe”, is helmplanter. Zijn bijnaam “de Roe” heeft hij gekregen nadat hij iemand op het strand met een stok achterna had gezeten. Helmplanter was een zwaar beroep dat hem door weer en wind langs het gehele duingebied van Katwijk, Wassenaar tot aan Scheveningen brengt. Steevast gekleed in zijn werkoverall en platte pet voorziet hij de opengestoven plekken in het duin van nieuw helmgras. Helm heeft lange wortelstokken die diep in de bodem doordringen, het zand vasthouden en zo afkalving van de kustlijn tegengaat. In de tweede helft van de Middeleeuwen waren het de Vlamingen die als eersten op grote schaal hun kust verstevigden met helmstuifdijken. Alle zwakke plekken in de duinenrij werden aangepakt. Wat later keken de Hollanders en Zeeuwen het kunstje af.

Helmplanter

Piet wordt geboren op 25 februari 1892 als oudste zoon van Jan en Lena Kuijt. Het gezin Kuijt bestaat naast Piet nog uit broer Arie, en zusters Aaltje, Arentje en Cornelia. Na onenigheid met broer Arie besloot Piet als helmplanter voor zichzelf te beginnen. Hij wordt hierbij ingehuurd onder andere de Leidsche Duinwater MaatschappijLDM, gaat vandaag de dag onder de naam Dunea. en de Gemeente Katwijk om allerhande onderhoud aan het duin te plegen. Hij wist het hier middels zijn opdrachtgevers het alleenrecht voor te verwerven.

Evacuatie

Uit zijn huwelijk met Arendje Klok worden niet minder dan negen kinderen geboren, acht zoons en één dochter. Het gezin Kuijt betrekt eerst een woning aan de Blommersstraat. Maar vanwege de afbraak ten behoeve van de Atlantikwall zijn ze gedwongen om dit huis te verlaten. Inmiddels is de verordening van kracht dat Katwijkers die niet vanwege hun werk verbonden zijn aan het dorp worden geëvacueerd om plaats te maken voor degenen die dit wel waren. In het kader van deze regel komt er een huis vrij en verhuisd het gezin vervolgens naar de Waal Malefijtstraat 107.

Stropen voor voedsel

Tijdens de oorlog worden de duinen tot Sperrgebiet verklaard en krijgt Piet ontheffing om vanwege zijn werk het duingebied te mogen betreden. Dit geeft Piet als fervente stroper de gelegenheid om hier en daar een konijn te strikken. Niet alleen voor zichzelf maar ook om andere mensen van voedsel te voorzien.

Op de vuist met de bezetter

Piet is niet bang uitgevallen. Als er een Duitser voor zijn dochter aan de deur komt gaat hij zonder aarzelen met hem op de vuist. Na een stevige vechtpartij in de gang weet hij de Duitser de deur uit te werken. Met als gevolg dat hij een dag later bij de Ortskommandant aan de Parklaan moet komen. Het voorval loopt uiteindelijk af met een sisser en Piet kan weer gaan.

NSB-ers

Op 23 juli 1945 zijn de opgravingen al een week aan de gang en zijn er inmiddels meer dan honderd lichamen gevonden. Het graafwerk wordt gedaan door voormalig NSB-ers die geïnterneerd zijn in de Scheveningse strafgevangenis. Het werk is zwaar en er wordt niet zachtzinnig met ze omgegaan. De gedetineerden worden gedwongen om soms met hun blote handen de lichamen uit te graven en worden hierbij geprikt met een bajonet waarmee eerst in de lijken gestoken was. Bij latere soortgelijke opgravingen ging het zover dat één gedetineerde hierdoor permanent verlamd is gebleven.

NSB-ers graven onder bewaking naar de stoffelijke overschotten van de gefusilleerde verzetsstrijders. NIOD

Identificatie van de lichamen

De schouwarts ter plaatse is bekende Dr. S.P.L. Hulst uit Leiden. Bij een eerdere opgraving van een soortgelijk massagraf in de duinen bij Overveen was hij ook betrokken geweest en had inmiddels de nodige ervaring opgedaan. Tijdens de identificatiewerkzaamheden draagt hij een lang lederen schort over zijn witte doktersjas en rubberen handschoenen tot elleboog lengte. Ieder lichaam wordt door hem grondig onderzocht alvorens het in een ruwhouten grafkist wordt gelegd.

De meeste lichamen zijn in een dusdanige verregaande staat van ontbinding dat identificatie aan de hand van kleding en gebit plaats zal moeten vinden. Iedere kist krijgt vervolgens een uniek nummer dat correspondeert met de bijbehorende aantekeningen van Dr. Hulst. Nadat de kist gesloten is worden ze in de bak van een reeds klaarstaande open vrachtwagen geladen en afgevoerd.

Dr. S.P.L. Hulst tijdens het identificatieproces van de gevonden lichamen. NIOD

Na de oorlog

Piet was gesloten van karakter en een man van weinig woorden, de oorlog had zijn sporen bij hem achtergelaten. Soms zat hij in zijn rookstoel volledig in zichzelf gekeerd en met zijn gedachten mijlenver weg. Een aantal voorwerpen uit de oorlog bewaarde hij zorgvuldig in een houten kistje. Wat er precies inzat wist niemand, soms kwam het kistje op tafel en bekeek hij de inhoud. Maar door anderen mocht er niet in gekeken worden. Wat het betekende wist alleen hij. De oorlog was voor hem een gedane zaak.

Hij wilde niets van enige vorm van eerbetoon weten. Het aanbod van een verzetskruis werd door hem steevast geweigerd en ook op de aftiteling van een tv programma over de Waalsdorpervlakte wilde hij niet vermeld worden. Net als velen andere getuigen van het oorlogsgeweld werd er tot zijn overlijden op 13 september 1972 door hem met geen woord meer over over zijn oorlogservaringen gesproken.

Naambordje

Op 30 april 2021 werd door de familie Kuijt, burgemeester van Wassenaar Leendert de Lange, directeur van Dunea Wim Drossaert en Vincent Gaal, voorzitter van Erepeloton Waalsdorp, een naambord ter nagedachtenis aan Piet “De Roe” Kuijt onthuld. Voormalig fietspad nr. 10 draagt vanaf die dag de naam Pieter Kuijtpad. Een prachtig eerbetoon aan een Katwijkse verzetsheld.

De onthulling van het naambordje bij fietspad nr. 10, nu Pieter Kuijtpad, op de Waalsdorpervlakte. D. Hoek

Katwijkers in de Opbouwdienst

De Katwijker Gerrit van Duijn is met zijn eenheid op weg terug naar de kazerne aan de Hoefkade in Den Haag. Van Duijn was opgeroepen bij de Algehele Mobilisatie van 1939 en vervolgens als dienstplichtig soldaat ingedeeld bij het 4e Regiment Infanterie.

Gecapituleerd

Na vijf hachelijke oorlogsdagen bij de Hoornbrug in Rijswijk te hebben doorgebracht wordt de capitulatie afgekondigd. De Katwijkers Maarten van Duin en Klaas Ros zijn gesneuveld bij de gevechten om het vliegveld Ypenburg, de eenheid van Gerrit van Duijn wordt in reserve gehouden waardoor hij ongedeerd blijft. Alle Nederlandse troepen worden vervolgens door de Nederlandse legerleiding gesommeerd om terug te keren naar de kazernes waar vanuit zij op de vroege ochtend van de vijfde mei 1940 ten strijde zijn getrokken.

Ontmantelingsplan

Majoor J.N. Breunese. E. Wolthaus

Er werd vervolgens door de Duitsers geïnstalleerde overheid een ontmantelingsplan gemaakt voor het Nederlandse leger. Voor de meer dan 300.000 militairen moest een oplossing gevonden worden. Met de toch al hoge werkeloosheid was het niet wenselijk om al deze soldaten weer de burgermaatschappij in te sturen.

Als onderdeel van dit plan wordt op 15 juli 1940 de Nederlandse Opbouwdienst opgericht. Majoor Jacob Nicolaas Breunese wordt door de Duitsers aangesteld als commandant. Breunese is een bewonderaar van de Duitse Reichsarbeitsdienst en poogt dan ook de Opbouwdienst naar dit model in te richten. Een groot aantal Nederlandse beroepsmilitairen meldt zich vrijwillig aan maar de dienstplichtigen gingen verplicht over in de Nederlandse Opbouwdienst. Degenen die zich vrijwillig aanmeldden kregen een proeftijd van drie maanden om zichzelf te bewijzen. De organisatie bestond uit vier districten met elk tussen de tien en veertien corpsen.

Eerbied en waardeering scheppen voor den Arbeid.

Majoor J.N. Breunese, Juli 1940.

De Schop

Dit gold ook voor Gerrit van Duijn en zijn mede Katwijkers Jan Hoek, Henk Vis een zoon van de begrafenis ondernemer, Siem de Jong, Kees Nijgh en Piet Plokker. Na de capitulatie werden ze terug naar hun kazerne gestuurd. Daar moesten ze een paar dagen blijven en mochten vervolgens terug naar huis. Hierna moesten de mannen als dienstplichtig militair opkomen voor de Opbouwdienst, ‘De Schop’ werd dat in de volksmond genoemd. Dit omdat men geen wapen uitgereikt kreeg maar een schop. Ook was men geen soldaat meer, maar kreeg men de benaming ‘Werker’. De Opbouwdienst werd opgericht om verdere uitbreiding van werkloosheid in Nederland te voorkomen, maar ook dat men de gelegenheid kreeg om hun vakbekwaamheid bij te houden. Dit om de overgang naar werk in de gewone maatschappij makkelijk en mogelijk te maken.

Het Legioen

Je moest echter in die tijd wel op je hoede zijn. Wervingsofficeren van het Vrijwilligerslegioen Nederland gingen langs de Nederlandse kazernes met mooie praatjes over geld en glorie. Ook de Leidse kazernesDe Doelenkazerne, Morschpoortkazerne en de Witte Poort kazerne. werden bezocht. Van Duijn werd gelukkig op tijd gewaarschuwd door een andere Katwijker die daar ook gelegerd was. Hij zei nooit tekenen, want dan kom je bij de SS !

Werken voor niks

Van Duijn kreeg een witte driehoek als mouwembleem op zijn gewone militaire uniform. Er zou soldij uitgekeerd worden en als men kostwinner was, een additionele vergoeding. Er werd de Katwijkers verteld dat ze vijftien gulden per maand zouden verdienen, maar in werkelijkheid kregen ze er niets voor. De werkzaamheden van de Opbouwdienst bestonden in de eerste instantie uit het helpen met puinruimen, het vrijmaken van wegen en het herstellen van oorlogsschade. Ook in het geval van calamiteiten kon de Opbouwdienst worden ingezet. Op 2 september 1940 assisteerden leden van de dienst de brandweer en Luchtbescherming bij een uitslaande brand aan de Kattenburgergracht in Amsterdam.

Voor de Katwijkse mannen was verder geen werk in de buurt en men wilde toch wat verdienen.  Van Duijn was visserman en de visserij lag op dat moment nog nagenoeg stil. De Opbouwdienst was een alternatief voor hen. Breunese spreekt van een dienst van soberheid, zindelijkheid en tucht. In de praktijk was echter het moreel laag, de organisatie slecht en discipline ver te zoeken.

Vader weet raad

Maar zoals voor veel dingen in het leven geldt, als je erin zit kom je er niet zo makkelijk uit. De jonge Gerrit van Duijn zat er in en moest heel wat moeite doen om er weer uit te komen. Vader van Duijn is vervolgens naar meester Varkevisser gegaan, de directeur van de Katwijkse Visserijschool aan de Burgerdijkstraat. Die heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat Gerrit ontslagen werd uit de Opbouwdienst en weer naar zee kon.

Reeds na een half jaar na de oprichting werd de Opbouwdienst opgeheven. De manschappen die hierbij werden ontslagen mochten de ontvangen O.D. kleding niet meer in het openbaar dragen. Dit kwam voort uit het feit dat complete Opbouwdienst uniformen massaal te koop werden aangeboden. In januari 1941 viel bij alle voormalige dienstplichtige en beroepsmilitairen een schrijven in de bus. Dit in de vorm van een brief, een blanco inschrijvingsformulier en een envelop geadresseerd aan het Centraal Registratie bureau van de Opbouwdienst in Den Haag. Afkomstig van Majoor Breunese werd men hierin verzocht om dienst te nemen bij de Nederlandsche Arbeidsdienst.Een eerst vrijwillige en later verplichte werkinzetdienst en opvolger van de Opbouwdienst.

Een wervingsfolder van de Nederlandschen Arbeidsdienst. E. Wolthaus

 

 

 

Een dodelijk ongeluk in de Zuidduinen

Het is dinsdag 23 januari 1940, een ijzige koude heeft zich meester gemaakt van Nederland. Met een zwakke wind uit het noorden is het een echte een ijsdag met een gevoelstemperatuur van meer dan -15 graden onder nul. Onder deze omstandigheden is de 4-RI sectie lichte mitrailleurs van de 23 jarige Jacob van Duijvenbode uit Katwijk aan Zee bezig met schietoefeningen in de Zuidduinen in de omgeving van het Zeehospitium.

Jacob van Duijvenbode. C. van Duijvenbode

Gemobiliseerd

Geboren op 22 mei 1916 als oudste zoon van Cornelis van Duijvenbode en Johanna Wilhelmina Groen is Jacob tijdens de Algemene Mobilisatie van 1939 opgeroepen en ingedeeld als helper bij de 3e compagnie lichte mitrailleurs van 4-RI. Zijn eenheid werd vervolgens ingekwartierd in Katwijk aan den Rijn. Als helper is Jacob verantwoordelijk voor dragen van het wapen en de schutter te voorzien van munitie.

Vooroorlogs materieel

De vooroorlogse Nederlandse infanterie beschikte niet over kwalitatief goede lichte mitrailleurs. De Lewis M.20 lichte mitrailleurEen wapen van Engelse makelij dat zijn oorsprong had in WOI was volstrekt ongeschikt voor moderne oorlogsvoering. Hij was onbetrouwbaar, was gevoelig tijdens verplaatsing en vuil, had een lage vuursnelheid en was zeer storingsgevoelig. Tenslotte was er een aanzienlijk tekort aan deze wapens, zodat soms op een gehele sectie van 30 man maar één lichte mitrailleur beschikbaar was. Naast de schutter en helper, was de rest van een mitrailleursectie zelden geoefend in het vuren met het wapen. Het werd ten onrechte slechts als een simpele handeling beschouwd en bovendien vond men dat het te veel munitie zou kosten.

Onder grote belangstelling begeeft de rouwstoet zich door de Voorstraat. C. van Duijvenbode.

Schietoefeningen

Het oefenterrein in de Zuidduinen is bedekt met een laag sneeuw en de koude snijdt door merg en been. De dunne zomeruniformen van de Nederlandse militairen bieden weinig bescherming tegen het extreme winterweer. Ook het hanteren van de mitrailleur is bij deze weersomstandigheden geen makkelijke taak. Plots breekt de cordonbeugel van de mitrailleur waarbij het wapen op de schouder van Van Duijvenbode valt die daarbij een tiental kogels door zijn achterhoofd krijgt. Hij overlijdt hierdoor ter plekke en wordt vervolgens overgebracht naar het Militair Hospitaal aan de Morssingel in Leiden.

Met militaire eer begraven

Op 26 januari vond de uitvaart van Van Duijvenbode onder grote belangstelling plaats op de Oude begraafplaats in Katwijk aan Zee. Een begrafenis met Militaire eer was geen alledaagse gebeurtenis en van ver uit de omtrek waren er mensen gekomen om de uitvaart bij te wonen. Van het sterfhuis aan de Stengelinstraat langs Duinoord en Voorstraat tot aan het Diaconie gebouw stonden militairen uit Noordwijk, Katwijk aan den Rijn en Katwijk aan Zee opgesteld aan weerskanten van de straat. Voor het sterfhuis stonden zes tambours en zes hoorblazers in vol ornaat met met zwarte vaandels aan de trompetten.

De baar wordt door zijn wapenbroeders de Nieuwe Kerk ingedragen. C. van Duivenbode.

Toen de met de Nederlandse vlag bedekte kist het huis werd uitgedragen presenteerde een afdeling onder leiding van Kapitein C. Van Zuilen het geweer. De kist werd vervolgens door Van Duijvenbode’s wapenmakkers van 4-RI naar het Diaconie gebouw aan de Voorstraat gedragen voor een rouwdienst onder leiding van Ds. P. Pras. Bevelvoerder van 4-RI Overste Buurman, Majoor J. Mallinckrodt en veldprediker Ds. W. Spliethoff waren hierbij aanwezig.

Laatste groet

Na de dienst werd de baar richting de Oude begraafplaats gedragen. Nadat de kist in het familiegraf was neergelaten trad het vuurpeloton onder leiding van Kapitein van Zuilen naar voren en werd er als laatste groet een salvo afgevuurd. Op 27 januari verschijnt er een artikel in het Leidsch Dagblad waar er uitgebreid verslag wordt gedaan van de uitvaart van dienstplichtig soldaat Jacob Van Duijvenbode.

…geen oorlog en toch gedood door
mitrailleurschoten…

Ds. W. Spliethoff, veldprediker, 26 januari 1939

Jacob’s kepi, persoonlijke bezittingen en de 4-RI rouwlinten zijn nog steeds in familie bezit. C. van Duijvenbode

Rudolf Tappenbeck

Als je vanuit Katwijk door de duinen naar Noordwijk rijdt komt men uit op de Koningin Astrid Boulevard. Op dit punt staat een imposant monument ter herinnering aan Rudolf Tappenbeck, gestorven op 21 december 1944 in het beruchte Duitse concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg.

Grand Hotel Huis ter Duin

Rudolf Tappenbeck was samen met zijn drie jaar oudere broer Wolfgang de eigenaar van het Grand Hotel Huis ter Duin. Afkomstig uit een oud Duits hoteliers geslacht stonden beide heren aan het hoofd van het prestigieuze Noordwijkse hotel waar de rijken der aarde kwamen genieten van de frisse Hollandse zeelucht.

Geboren op 28 Oktober 1898 in Noordwijk studeerde hij in Berlijn, Zurich en Leiden en trouwde op 20 December 1935 met Hendrika Johanna Meijlink uit Sommelsdijk. Uit het huwelijk worden vier kinderen geboren waaronder zijn zoon Peter.

Rudolf Tappenbeck in 1937. Fam. Tappenbeck

Wehrmachtsverkehrslokal

Na de Duitse inval in mei 1940 krijgen de broers Tappenbeck al snel met de bezetter te maken. Het luxe hotel Huis ter Duin valt in de smaak bij de Duitsers en wordt al snel als Wehrmachtsverkehrslokal een vaste verblijfplaats voor hoge Duitse officieren. Geld speelt hierbij geen rol en de zaken gaan goed. Het hotel wordt officieel aangewezen als Gaststätte für die Wehrmacht.

De familie Tappenbeck staat bekend als Duitsgezind, maar is in werkelijkheid in twee kampen verdeeld. Aan de ene kant Rudolf en Wolfgang en aan de andere kant de familie die nauwe banden met de bezetter onderhoudt. Een nicht is bevriend met het hoofd van de Sicherheitsdienst en de neven Bruno, Dieter en Gert-Heinrich nemen dienst bij de SS. Dieter is degene van de drie die de oorlog niet overleefd, hij pleegt op 23 December 1941 zelfmoord.

In het verzet

Terwijl Wolfgang veelvuldig zaken doet met de Duitsers keert Rudolf hier zich steeds meer van af. Hij begint op de treden als stille financier van illegale bladen als Trouw, Vrij Nederland en Je Maintiendrai. Niet aangesloten bij een verzetsorganisatie geeft dit Tappenbeck de gelegenheid om onder de radar van de SD te opereren. In deze hoedanigheid komt hij in contact met Henk Jesse, zoon van de Leidse architect Hendrik JesseVerantwoordelijk voor onder andere het ontwerp van de Nieuwe Kerk, de Rooie Buurt en het Politiebureau in Katwijk.

Radiozendamateurs

Henk Jesse had in de jaren ’30 de HTS in Haarlem te doorlopen. Tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakt hij versterkers en verdeelkasten voor de radiodistributie. Het systeem waarbij de luisteraar een kastje kreeg met een kiesknop voor een beperkt aantal zenders was toen nog volledig in particuliere handen. Uit angst dat deze techniek voor spionagedoeleinden gebruikt zou worden maakte de bezetter daar een einde aan en belastte de PTT met de radiodistributie. Op deze manier was Tappenbeck betrokken bij de eerste radioverbinding met de Verenigde Staten. Deze verbinding kwam tot stand op de nacht van 26 op 27 december 1923 in het huis van Jesse. Er werd gebruikgemaakt van een 100 watt zendertje en een zeer korte golflengte van 110m.

Een pamflet

Naast het geven van financiële steun aan het verzet en het radiocontact met de Geallieerden besloot Rudolf in 1944 een pamflet te schrijven in het Duits waarbij hij Duitse officieren opriep geen gehoor te geven aan het bevel van Adolf Hitler om, in het geval de oorlog door Duitsland verloren zou worden, alle elektriciteits-, gas- en watercentrales op te blazen.

De Sicherheitsdienst

Het verzetswerk van Tappenbeck kon op een gegeven moment niet meer onopgemerkt blijven. De vrouw van Rudolf krijgt bezoek van een man die zich voordoet als iemand uit de illegaliteit. Deze biedt zich aan om verzetswerk te verrichten. Hendrika vertrouwt het zaakje niet en stuurt de man weg. Deze man was in werkelijkheid Frits van BijnenOp 2 September 1944 op de Waalsdorpervlakte door de SD gefusilleerd, een spion voor de SD. Afkomstig uit Den Haag was Van Bijnen, met een crimineel verleden als oplichter, dief en inbreker, in dienst als V-Mann  bij de Duitse Sicherheitsdienst om allerlei vuile zaakjes voor hen op te knappen. Op de 18 Mei 1944 staat Van Bijnen opnieuw bij de Tappenbecks voor de deur. Hij wordt hierbij vergezeld door SD-er Marten Slagter. Het huis wordt doorzocht waarbij het belastende Duitse pamflet wordt gevonden.  Onder de ogen van zijn vrouw en zoon wordt Rudolf Tappenbeck gearresteerd en vastgezet in de Strafgevangenis in Scheveningen.

De contacten die de Tappenbecks hebben met de SD worden ingeschakeld en broer Wolfgang mag tegen betaling zijn broer in de gevangenis bezoeken. Op deze manier smokkelt hij voedsel, kleding en berichten van Hendrika Tappenbeck voor haar man mee naar binnen. Om de vrijlating van Rudolf te bewerkstelligen wordt er door Wolfgang koortsachtig met de Duitsers onderhandeld om zijn broer vrij te krijgen. Er dient een losgeld van 50.000 gulden betaald te worden, dit gebeurd niet en Rudolf krijgt vervolgens de keuze om voor de SD te gaan werken. Dit wordt door hem resoluut geweigerd en Tappenbeck wordt in Oktober 1944 via Kamp Vught en Sachsenhausen afgevoerd naar Duitsland. Hier komt hij net als de Rijnsburgse burgemeester Geert Hermans terecht in concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Hier bezwijkt hij uiteindelijk aan uitputting en ontbering.

Bij dezen gelast ik u over te gaan tot de arrestatie van den heer W. Tappenbeck directeur van het Huis ter Duin, ter zake van samenzwering met en leveranties aan den vijand. Gaarne verneem ik terstond van U wanneer de arrestatie heeft plaatsgevonden.

Mr. H. Burgersdijk

Waarnemend Hoofd Politieke Recherchedienst

Huisarrest

Na de bevrijding staat er weer een arrestatieteam op de stoep, maar deze maal voor broer Wolfgang. In de vroege ochtend op van 19 Juni 1945 wordt hij in opdracht van de Politieke Recherchedienst door de BS gearresteerd. Hem wordt ‘samenzwering met en leveranties aan den vijand’ te laste gelegd. Ook het feit dat hij zich ingelaten had met NSB burgemeester Musegaas en het bedrijven van zwarte handel in wijnen werd hem zwaar aangerekend. Het hotel was inmiddels omgetoverd van Wehrmachtsverkehrlokal van de Duitsers tot Leave Centre voor de Canadezen. In afwachting van de behandeling van zijn zaak door de Zuiveringsraad krijgt hij huisarrest opgelegd. Dit alles loopt met een sisser af en na tien maanden mag Wolfgang Tappenbeck zich weer een vrij man noemen.

Het monument

De radiolamp en microfoon op het Tappenbeck monument. E. Wolthaus

Na de oorlog werd een comité gevormd, dat het plan opvatte om aan het einde van de Koningin Astrid Boulevard een gedenkteken voor Rudolf Tappenbeck op te richten. De opdracht werd gegeven aan de Noordwijkse beeldhouwer en vriend van Tappenbeck, Ludwig Oswald Wenckebach, eveneens verantwoordelijk voor oorlogsmonumenten in Katwijk en Rijnsburg.

Eind september 1948 was het zover en kon het gedenkteken in de vorm van een meeuw op een zuil worden onthuld door zoon Peter Tappenbeck. Op de vierkante voet van de zuil zijn drie symbolen afgebeeld, de spiegel als zinnebeeld voor de kennis, de balans en het zwaard voor het recht en de radiolamp en microfoon als symbool voor zijn vele verdiensten op het gebied van het radiozend-amateurisme.

1944, de Vervangingskeuken in Rijnsburg

De Burgemeester van Rijnsburg maakt bekend, dat hem vanwege den Directeur van de Stedelijke Lichtfabrieken te Leiden is medegedeeld, dat met ingang van 23 September 1944, de uren, waarop gas gebruikt kan worden, opnieuw, als volgt, worden gewijzigd:

Algehele stopzetting

Loco Burgemeester C. D. van der Vijver. Fam van der Vijver

In navolging van bovenstaand bericht maakte Loco Burgemeester C.D. van der Vijver op maandag 2 Oktober 1944 bekend dat de gasvoorziening in Rijnsburg geheel stop zou worden gezet. Er zou tevens geen sprake meer zijn van een waakvlam in het fornuis. Rijnsburg had in tegenstelling tot Katwijk geen eigen gasfabriek. Op de Dijk richting aan het Oegstgeesterkanaal stond een gashouder die bevoorraad werd door de gasfabriek in Leiden.

Van der Vijver stond, na de arrestatie van zijn voorganger Geert Hermans, als vervangend Burgemeester aan het hoofd van de gemeente Rijnsburg en was in het dagelijks leven eigenaar van Conserven Fabriek van der Vijver. Hermans werd eind 1944 vervangen door NSB burgemeester Ph. A.J. Schipper.

Kolen in Nederland

Waar voorheen nog gekookt kon worden op werkdagen tussen 07:00 – 07:30 en 17:00 – 19:00, en op Zondagen tussen 08:30 – 09:00 en 12:00 – 14:00 was er nu helemaal geen gelegenheid meer om op gas te koken. Aan het eind van 1944 was de kolen voorraad in Nederland dusdanig geslonken dat er maatregelen genomen moesten worden. Er was in Nederland op dat moment nog geen sprake van een uitgebreid landelijk gasnetwerk. De huizen die een aansluiting hadden werden voorzien van gas uit plaatselijke kolengestookte gasfabrieken.

Warme maaltijd

Om de inwoners van Rijnsburg toch één keer per dag van een warme maaltijd te kunnen voorzien werd er een zogenaamde Vervangingskeuken opgericht. Hierbij werd er op een centrale plaats gekookt om vervolgens het voedsel over diverse uitdeelposten in het dorp te verdelen. Deze uitdeelposten waren o.a. gevestigd in de veilingen gebouwen Flora en Bloemenlust,  in de Burgemeester Meijboomstraat, de Brouwerstraat, de Vliet NZ, de Kerkstraat en de Langevaart. Het koken van het voedsel vond plaats bij Conserven Fabriek van der Vijver aan de Kanaalstraat. Het verstrekte voedsel bestond uit vier dagen stamppot, twee dagen pap en één dag soep. Dit was vastgelegd in de voorschriften van het Rijksbureau voor VoedselvoorzieningVerantwoordelijk voor het voedselbeleid in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op de bon

Per persoon was er een portie van 3/4 liter beschikbaar, hiervoor moest f 1,40 per week betaald worden. Om in aanmerking te komen voor voedsel moest in ieder geval een aardappelbon ingeleverd worden. In de spaarzame gevallen dat er ook vlees, boter of vet in verwerkt werd moesten hiervoor additionele vlees en boterbonnen voor ingeleverd worden.

Om in aanmerking te komen voor de vervangingskeuken diende men zich van te voren op te geven in het lokaal van het Distributie kantoor in de Kerkstraat. Op vertoon van de nieuwe Distributie stamkaart en de bijhorende bonnen voor gort, aardappelen en taptemelk kon men zich, na de betaling van de f 1,40 met gepast geld, aanmelden. Men kreeg hiervoor per persoon vervolgens een weekcoupon met zeven dagbonnen. Op vastgestelde tijden kon men dan het voedsel bij de diverse uitdeelposten afhalen. Wat er over was werd uitverkocht. Deelname aan de Rijnsburgse Vervangingskeuken gold ook voor inwoners van Oegstgeest die op de rand van Rijnsburg en Oegstgeest woonden.

‘Zelfverzorgers’

Er was ook sprake van zogenaamde ‘Zelfverzorgers’. Mensen die zelf beschikking hadden over aardappelen moesten per persoon hiervan drie kilo aanleveren bij de Centrale Keuken in de fabriek van C.D. van der Vijver. In ruil daarvoor hoefde men dan hun aardappelbonnen niet in te leveren. Ze kregen een inleverbewijs voor hun zelf meegebrachte aardappelen die ze weer bij het Distributie kantoor konden inleveren tegen de weekcoupons.

Klachten

Het voedsel uit de Vervangingskeuken was niet van hoog niveau en vaak al koud voordat men thuis was gekomen. De vrijwilligers van de uitdeelposten hadden het dan ook regelmatig zwaar te verduren. Uitgesproken commentaar op het voedsel was niet van de lucht. Voor klachten, wensen en op – of aanmerkingen kon men terecht bij de Gemeente Rijnsburg. De uitvoering van deze ondankbare taak lag bij de Plaatselijke Leider van de Vervangingskeuken tot wie men zich iedere Woensdagochtend tussen 09:00 en 10:00 kon richten in het Gemeentehuis aan de Kerkstraat.

Strooibiljetten

Een strooibiljet met mededelingen van de Rijnsburgse Vervangingskeuken. E. Wolthaus

De gemeentelijke mededelingen aan de Rijnsburgse bevolking aangaande de Vervangingskeuken werden gedaan middels strooibiljetten. Drukkerij ‘De Rijn’ van J. VerhagenDe voorloper van de huidige Uitgeverij Verhagen in Katwijk aan de Oegstgeesterweg had van de Gemeente Rijnsburg opdracht gekregen om deze te drukken. In verband met de papierschaarste werd echter na twee weken overgegaan op raampublicaties bij de Rijnsburgse winkeliers. Iedere donderdagmiddag omstreeks 16:00 kon men hierop de laatste mededelingen aangaande de Vervangingskeuken lezen.

Te kort

Het kwam ook meer dan eens voor dat men eten te kort kwam bij een uitdeelpost. De reden hiervan was dat er altijd deelnemers aan de Vervangingskeuken bij een andere post eten haalden dan hen toegewezen was. Of juist dat men frauduleus bij meer dan één uitdeelpost voedsel probeerde te bemachtigen. Verder was het zaak dat je op tijd was. Er werd uitgedeeld tussen half twaalf en twaalf uur, en voor laatkomers werd niets bewaard !

Het einde

Met de Bevrijding en de voedseldroppings in het kader van Operation Manna kwam er een eind aan de honger in West Nederland. De hongerwinter van ’44-’45 had aan meer dan 20.000 Nederlanders het leven gekost. De bevrijding betekende ook het einde van het Rijksbureau van Voedselvoorziening en de Vervangingskeuken. Zonder deze maatregelen hadden er in het laatste jaar van de oorlog nog meer mensen het leven gelaten. Levensmiddelen bleven ook na de oorlog nog geruime tijd op de bon. Dit duurde tot begin jaren ’50. Koffie was in 1952 het laatste product dat ten slotte weer vrij verkrijgbaar werd.

Katwijkers in het Oranjehotel

Het is Mei 1940, de eerste Duitse krijgsgevangenen worden het huis van bewaring in Scheveningen binnengebracht. Dit biedt in de meidagen onderdak aan de soldaten die gevangengenomen zijn tijdens de gevechten in en om de Residentie. Na de Nederlandse capitulatie op 15 Mei 1940 zal het vijf jaar duren voordat het dan voormalig “Oranjehotel” weer Duitse gasten zou ontvangen.

Gevorderd

Het huis van bewaring in Scheveningen wordt net als vele andere openbare instellingen overgenomen door de bezetter. In het cellencomplex gelegen aan de Van Alkemadelaan in Scheveningen worden de Deutsches Untersuchungs- und Strafgefängnis en de Deutsches Polizei gefängnis gevestigd. De cellenbarakken zijn in 1919 in gebruik genomen door de Nederlandse overheid. In deze periode diende de penitentiaire instelling grotendeels om kortgestraften te detineren. Kleine criminelen als dieven, landlopers, smokkelaars en dienstweigeraars werden er in afwachting van hun berechting opgesloten of zaten er een korte gevangenisstraf uit.

Het “Oranjehotel”

Een levendige herinnering aan de gruwelen van het Oranjehotel E. Wolthaus

Omdat er in de oorlog veel verzetsmensen worden opgesloten krijgt de Deutsche Polizei gefängnis in de volksmond al snel de geuzennaam het “Oranjehotel”. Het exacte aantal Nederlanders dat op enig tijdstip opgesloten heeft gezeten is niet helemaal duidelijk, dit gezien het feit dat de administratie door de Duitsers grotendeels vernietigd is. Op 7 Juni 1944, de dag na de geallieerde invasie in Normandië, werden alle gevangenen uit het Oranjehotel naar het concentratiekamp Vught overgebracht.

Dertigduizend

Gedurende de oorlogsjaren hebben in het Oranjehotel telkens ongeveer twaalfhonderd tot vijftienhonderd gevangenen gezeten. Hoeveel in totaal is niet precies bekend, maar schattingen gaan tot dertigduizend. Gemiddeld zat men één tot drie maanden in het Oranjehotel, soms met vier of vijf personen in één cel. Na berechting volgde soms vrijlating, maar meestal volgde er transport naar Duitsland of in tweehonderdvijftien gevallen de doodstraf. In de beruchte dodencel nr. 601 brachten ter dood veroordeelden hun laatste uren door voordat ze op de nabij gelegen WaalsdorpervlakteDuingebied bij Den Haag waar meer dan 250 Nederlanders zijn geëxecuteerd. geëxecuteerd werden.

Gedenk hun laatste gang
door deze lage poort,
hun leven
voor vrijheid en voor recht gegeven.
Zet hun strijd voort!

Anthonie Donker

voormalig gevangene Oranjehotel.

Geestelijke verzorging

De geestelijk verzorging van de gevangenen was in handen van Ds. Bos en Kapelaan Bakker. Gerrit Bos werd in 1936 beroepen bij de Nederlands Hervormde Kerk in Den Haag, en twee jaar later ook benoemd tot “bajes dominee”. Hij had dus, voordat de Duitsers er introkken, al contact met de strafgevangenis en haar bewoners. Hij kreeg het uiteindelijk na veel moeite gedaan dat hij ook aandacht mocht besteden aan de geestelijke verzorging van de politieke gevangenen. Bos, samen met de kapelaan Bakker, besloot in de eerste instantie met de Duitsers te gaan onderhandelen over voortzetting van contact met de gevangenen. Bij een bezoek aan de betrokken commandant werden beide geestelijken echter als kwajongens weggestuurd onder het dreigement, dat ze moesten oppassen om niet zelf achter de tralies te belanden.

In september 1940 kreeg Gerrit Bos hulp uit onverwachte hoek: een Duitse gevangenenbewaakster –Frau Oberin, een vrome, katholieke vrouw uit Krefeld- klaagde namelijk haar nood bij de Duitse gevangenisleiding over het gebrek aan geestelijke verzorging van de gevangenen. Deze stem werd wèl gehoord, en zo gebeurde het, dat Gerrit Bos verzocht werd om bij de rechterhand van Rauter te verschijnen, de Generaal-majoor Dr. Wilhelm Harster; hij was de hoogste autoriteit van de Duitse politie in Nederland, zetelend op het Binnenhof in Den Haag. Daarmee kreeg Bos de gelegenheid om kerkdiensten te houden en gevangenen in hun cel te bezoeken. Die kerkdiensten werden gehouden in een als amfitheater ingericht lokaal op de eerste verdieping, waar een smalle ijzeren trap naar toe leidde. De gevangeniskerk was een ruimte zonder enig decor, met rijen eenpersoonshokjes, van voren afgesloten met gaas en van achteren met een deurtje. De dominee kon de kerkgangers wèl zien en zij hèm ook, maar de kerkgangers elkààr niet.

Katwijkers en Rijnsburgers opgesloten

Onder de geschatte dertigduizend gevangen die tijdens de oorlog in de Scheveningse gevangenis zaten waren ook een aantal Katwijkers en Rijnsburgers. Exacte namen en aantallen zijn moeilijk te geven, maar van de volgende personen is bekend dat zij tijdens de oorlog enige tijd in de Scheveningse gevangenis hebben doorgebracht. Op 2 April 1941 werden de Katwijkse leden van de Stijkelgroep Maarten Hoek en de zwagers Arie en Willem van der Plas na hun arrestatie opgesloten in het Oranjehotel. Gevolgd in September 1941 door een aantal Rijnsburgse gijzelaars die door de Grüne Polizei gevangengenomen waren vanwege het versieren van de Wilhelminaboom op 31 Augustus van dat jaar.

Gerard Brouwer Genealogie Katwijk

Op 16 Maart 1942 waren het de Katwijkse gemeente ambtenaar Johannes Huijsman en winkelier Gerard Brouwer die na hun arrestatie wegens wapenbezit en ander illegaal werk werden opgesloten in de Scheveningse strafgevangenis. Beiden werden in Augustus 1942 naar Duitsland vervoerd waar Huijsman in Kamp Rathenow overleed en Brouwer in de gevangenis van Rheinbach, Noordrijn Westfalen.  Op 23 Maart 1942 werd de grondwerker Cornelis van Duijvenvoorde gearresteerd wegens het in bezit hebben van een wapen. Hij verbleef tot Juli 1942 in het Oranjehotel. Na een verblijf van vijf maanden in Kamp Amersfoort kwam hij tenslotte op  1 December 1942 in aan in Kamp Neuegamme waar hij in op 8 November 1943 overlijdt.

In Februari 1944 werd de Rijnsburgse burgemeester Geert Hermans samen met zijn vrouw gearresteerd door de SD en naar Scheveningen afgevoerd. Zijn vrouw wordt na enige tijd weer vrijgelaten, maar Hermans zelf wordt eveneens op transport gesteld naar concentratiekamp Neuegamme. De Katwijkse verzetsvrouw Jobje Barnhoorn verblijft tenslotte begin 1945 nog enige tijd in de beruchte gevangenis aan de Van Alkemadelaan.

Verraders

Na de bevrijding in Mei 1945 zaten de Scheveningse cellenbarakken vol met politieke misdadigers en NSB‘ers. Het voormalig Oranjehotel werd tevens de laatste verblijfplaats van propagandist Max Blokzijl en Anton Mussert, leider van de Nederlandse Nationaal Socialistische Beweging, voordat hij op de vroege morgen van 7 Mei 1946 op de Waalsdorpervlakte werd gefusilleerd. Ook Hans Albin Rauter, höherer SS- und Polizeiführer in Nederland, heeft er voorafgaand aan zijn proces in het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag, gevangengezeten.

Stichting Oranjehotel

De onthulling van de reliëf aan de zijde van de Stevinstraat op 16 september 1950 door Koningin Juliana. Fam. van der Plas

Na de bevrijding kwam het Oranjehotel onder bevel te staan van E.P. Weber, reserve-majoor der infanterie. Hij nam vervolgens het initiatief om de Stichting Oranjehotel op te richten. Doel van deze stichting is het in stand houden van de nagedachtenis aan het Oranjehotel 1940 – 1945 in stand binnen de Penitentiaire Instelling Haaglanden in Scheveningen. Als eerste werd de Dodencel (cel 601) op 5 oktober 1946 tot monument benoemd, Drie jaar later werd vervolgens het poortje waardoor de gevangenen naar de Waalsdorpervlakte werden geleid ter executie ook onderdeel van het monument. Een derde en laatste deel van het herdenkingsmonument werd op 16 september 1950 onhuld.

Herdenkingen

Jaarlijks wordt er op de laatste zaterdag in september een herdenking gehouden. Hierbij zijn naast een aantal ex-gevangenen en hoogwaardigheidsbekleders ook leerlingen van scholen in Nederland aanwezig. In September 1965 was het de beurt aan een Katwijkse school om ons dorp te vertegenwoordigen tijdens de jaarlijkse herdenking.

De uitnodiging van de Stichting Oranjehotel aan een Katwijkse school voor de herdenking van september 1965. E. Wolthaus

 

Brand in het barakkenkamp aan de Parklaan

Brand, brand! In het barakkenkamp aan de Parklaan is brand uitgebroken. Een barak aan de oostkant van het kamp heeft vlam gevat en men probeert uit alle macht het vuur te bestrijden. Maar het mag niet baten en het enige wat men nog kan doen is het gecontroleerd uit laten branden en zorgen dat de brand niet overslaat naar de andere barakken.

Mobilisatie

Het barakkenkamp was in december 1939 onder leiding van Ing. C.J. Tieleman, opzichter der Genie uit Noordwijk aan Zee, gebouwd om onderdak te bieden aan manschappen van het Nederlandse leger die bij de Mobilisatie waren opgeroepen. Tieleman was ook verantwoordelijk geweest voor de bouw van het vliegveld Valkenburg. Na de capitulatie maakte de Duitse Luftwaffe dankbaar gebruik van het complex aan de Parklaan. In het kader van de Atlantikwall werd het kamp in 1942 onderdeel van Widerstandnest 250.

Rook

Even voor het middaguur op 20 juni 1940 was er een zware zwarte rookkolom verschenen boven het barakkenkamp aan de Parklaan. Nieuwsgierigen beklommen het omliggende duin om te kijken wat er aan de hand was, gevolgd om twaalf uur door de plaatselijke schooljeugd. Drommen fietsers begaven zich eveneens in de richting van het vuur.

Het kamp na de brand, rechts zijn de verkoolde resten van de barak nog goed te zien. E. Wolthaus

Brandweer en Luchtbescherming

De aanleiding van de brand is onbekend. Binnen de kortste keren stond de 14 bij 93 meter lange barak in lichterlaaie. De zon had de afgelopen dagen fel geschenen waardoor het hout kurkdroog geworden was. Ook het feit dat het dak bedekt was met teer en de wanden met carbolineum droeg bij dat het gebouw brandde als een fakkel.

De Katwijkse brandweer onder leiding van opperbrandmeester Herman Parlevliet was snel ter plaatse maar kon weinig meer uitrichten. Er was tevens assistentie van diverse blokbrandspuiten van de Luchtbescherming. De blokbrandspuit 5 onder leiding van Blokmeester Schoonenberg als eerste in bedrijf om de achterliggende barakken nat te houden. Burgemeester Woldring van der Hoop en Inspecteur van Politie R. Warmoltz waren eveneens ter plaatse om aanwijzingen te geven. Er zijn geen persoonlijke ongelukken gemeld.