Terug

De evacuatie van het Sperrgebiet

Verboden gebied

Op 1 Mei 1942 wordt er afgekondigd dat het duin vanaf heden verboden gebied is. De geliefde plek om te wandelen en bramen te zoeken is niet meer toegankelijk voor het publiek. Dit inzake het klaarmaken voor de bunkerbouw. Op 1 Juni wordt fase 2 ingezet. Dit betekende het ontruimen van de Boulevard en haar omliggende huizen. Niet te betreden gebieden werden door de Duitsers “Sperrgebiet” genoemd.

Omvang van het Sperrgebiet

De grens van het Sperrgebiet in Katwijk liep als volgt:

Sluisweg, vanaf de binnensluis tot de hoek van de Jan Tooropstraat. Jan Tooropstraat tot aan de hoek van de E.A. Borgerstraat. E.A. Borgerstraat, Sluisweg, vanaf de hoek van de E.A. Borgerstraat tot aan de Badstraat. De Badstraat, de Lauwestraat en de Nieuwstraat. De Zuidstraat, vanaf de Nieuwstraat tot aan de hoek van de Duinstraat. De Duinstraat van Zuidstraat tot de Varkevisserstraat. Varkevisserstraat, vanaf de hoek van de Duinstraat tot aan de Tijmstraat. De Tijmstraat. Tot aan de Ortskommandantur aan de Parklaan.

Deze grenzen waren vanaf juli 1944 van kracht, omdat het Sperrgebiet toen vergroot werd ten behoeve van de huizensloop.

Gedwongen verhuizing

Iedereen die binnen deze grenzen woonde was op den duur gedwongen te verhuizen. Er werden plannen ontwikkeld voor de verhuizing van een groot aantal Katwijkers. Dit werd gedaan in samenwerking met het B.A.B (Bureau Afvoer Burgerbevolking). De bezetter wilde zo min mogelijk mensen binnen het Sperrgebiet hebben, en dat betekende dat er uiteindelijk bijna 5000 Katwijkers moesten verhuizen.

De Duitsers stelden een aantal criteria op om de te verhuizen bevolking in te delen. Deze waren als volgt: Niet-Werkenden (Misbaren), absoluut onmisbaren, relatief onmisbaren. De eerste groep werd elders in het land ondergebracht, meestal in het noorden van het land. De 2e groep was het belangrijkst, want dit waren de mensen die mee konden werken aan de bouw van de bunkers. Zij werden hierom ook zoveel mogelijk in Katwijk zelf onder gebracht. De laatste groep werd zo goed en zo kwaad als dat ging in en rond Katwijk geplaatst.

In November ’42 beginnen de evacuaties. Eerst werden de weduwen, renteniers, niet werkenden, gezinnen van zeelieden die in het buitenland zaten en mensen die elders werkten geëvacueerd. De bejaarden uit het gasthuis aan de Voorstraat worden op 7 december geëvacueerd naar Paterswolde in Groningen. Ook de Willem van den Berghstichting wordt geëvacueerd, want ook op dit terrein zouden bunkers komen.

Toen in 1943 het bevel kwam om een strook langs de kust van 150 meter breed te slopen, moest alle nog niet geëvacueerde bevolking ook verhuizen. Van de bijna 5000 evacués blijven er ongeveer 1450 in de omgeving van Katwijk wonen, waarvan er 1100 zelf een adres kunnen vinden. De overige personen werden in Oegstgeest gehuisvest. De niet-werkende evacués werden naar Groningen, en later ook Gelderland overgebracht.

De Duitsers hadden voor de evacuatie een aantal regels opgesteld. De geëvacueerden mochten maximaal 200 kilo bagage meenemen. Deze bagage werd per schip naar de locatie gebracht, begeleid door een delegatie van de gemeente. De burgemeester deed hier ook nogal eens aan mee. De bezetter had ook een lijst opgesteld met zaken die in het achter te laten huis achter moesten blijven. Deze zaken werden later door de bezetter verwijderd om zelf te gebruiken.

De huizensloop in het kustgebied Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook