Terug

C.F. de Graaf, een zondagskind van 94

“Een zondagskind van 94”

Dhr. C.F. de Graaf.

Dhr. C.F. de Graaf. E. Wolthaus

Dit is het verhaal van Dhr. C.F. de Graaf uit Voorburg over zijn herinneringen aan de mobilisatie en de oorlogsdagen die hij in Katwijk en Valkenburg doorbracht.

Toen ik 18-19 jaar oud was kwam er op het gemeentehuis in Voorburg een Sergeant Majoor. Je had toen de mogelijkheid om je op te geven voor een zogenaamde vooroefening in je vrije tijd, voordat je echt in dienst ging. Een jaar lang heb ik toen voorgeoefend, iedere woensdagavond en zaterdagmiddag naar Waalsdorp op de fiets. In Kamp Waalsdorp lag een regiment Jagers en Grenadiers in houten barakken. We schoten met scherp op de schietbaan en kregen theorie wapenleer. Ondanks dat men slechts aan het vooroefenen was, was men volledig militair en onderhevig aan de krijgswet. Mijn wapen was een karabijn.

Opgekomen voor mijn nummer

In 1935, ik was toen 20 jaar oud, ben ik opgekomen voor m’n nummer. Dat was voor, zoals je noemde, werkelijke dienst. Mijn meldadres was de Morspoort kazerne in Leiden. Het was een oud gebouw en er waren geen douche voorzieningen. Vandaag de dag staat alleen het wachtgebouw er nog met een herinneringssteen aan het 4RI (4e Regiment Infanterie) in de zijgevel.

Als je toentertijd in dienst ging werd je formeel ontslagen. Het was niet zeker dat je je baan daarna weer terugkreeg. Ik werkte toen voor ‘de Nederlanden van 1845’, dat was de voorloper van Nationale Nederlanden. We hadden daar weliswaar goede arbeidsvoorzieningen, maar ik werd toch formeel ontslagen. Ik mocht toch weer terugkomen. Ik ben later gelukkig nooit meer opgeroepen voor herhaling.

Mobilisatie

De ambachtsschool te Leiden.

De ambachtsschool te Leiden. E. Wolthaus

Op 29 Augustus 1939 ben ik toen opgekomen bij de landelijke afkondiging algemene mobilisatie op mijn mobilisatie bestemming in de Ambachtschool aan de Haagweg in Leiden.

We sliepen daar tussen de houtbewerkingsmachines. Een vriend van me uit Voorburg ging ook en we werden in dezelfde compagnie ingedeeld. De algemene mobilisatie gold toen voor vijftien jaarlichtingen, ik was dus van 1935. Ik was toen de mobilisatie begon vierentwintig en tijdens de mobilisatie werd ik vijfentwintig. Ikzelf ben van 1915. De oudste soldaten bij ons, van de oudste lichting zeg maar, waren toen vijfendertig. Met Pasen 1939 was een gedeelte van het leger al eerder opgeroepen. Dat waren de luchtdoelartillerie en schijnwerpers.

Onze compagnie kok, van beroep scheepskok wiens schip op dat moment binnen was, kookte de eerste dag soep in een keukenwagen uit 1914-1918. Achterin zat dan een ketel waaronder een vuur werd gestookt. Deze was na de eerste wereldoorlog dik in het vet gezet. Het vet was nog niet geheel weggewassen dus na het eten van de soep had de hele compagnie diarree. Het 4e Regiment Infanterie III bestond uit 3 bataljons, tirailleurs (infanterie), zware mitrailleurs en mortieren. Onze mitrailleur compagnie werd de specialisten compagnie genoemd.

Aankomst in Katwijk

Twee dagen later zijn we afgemarcheerd vanuit Leiden naar Katwijk-Binnen, naar het Heerenklooster aan de Overrijn. Dat was een seminarie voor opleiding tot priester. Daar kregen we enkele zalen toegewezen en strozakken om op te slapen. Deze moesten eerst platgestampt worden om op te kunnen slapen. De dagen werden gevuld met overdag oefenen en niks doen. Oefenen deden we op de schietbanen in het duin. De weg er naar toe liep langs de Cantineweg. Daar zijn op 10 Mei ook de eerste slachtoffers gevallen. De graven langs de Cantineweg zijn later verplaatst naar de kerk in Valkenburg.

We mochten niet al te vaak met scherp schieten, dat kostte geld. We moesten zelfs van de patronen die we verschoten hadden de hulzen weer verzamelen voor hergebruik van het koper. Door de recessie, crisis en de werkloosheid van de jaren 30 was er weinig geld voor het leger. Het klimaat was niet gunstig om het leger goed uit te rusten, de socialisten waren aan de macht. Colijn was minister president en er was nog steeds een recessie aan de gang. Men had de pacifistische beweging van het gebroken geweertje, de mensen zaten gewoon niet op een oorlog te wachten. Er was dus gewoonweg geen geld voor het leger, onze wapens waren van 1895! We hadden echt geen spullen. Ik heb zelfs nog nooit een scherpe handgranaat in m’n handen gehad. Ja, altijd zo’n oefending dat niets deed. Toen ik me moest melden in het kader van de algemene mobilisatie had ik alleen het uniform wat ik nog had uit m’n diensttijd, denk maar niet dat je een nieuwe uitrusting kreeg. Een jas en een broek met van die windsels om je benen. Daar liepen die Engelsen ook mee. Het was vreselijk omslachtig om die dingen goed om te krijgen, je haakte ze vast aan je schoen en vervolgens hoopte je dat ze in het veld niet los zouden komen.

Oorlogsdreiging

We waren ons er wel degelijk van bewust dat er wat aan zat te komen, de dreiging was er heel vaak. De Nederlandse ambassadeur in Berlijn had al vaak gewaarschuwd: “jongens er is wat op handen. Legereenheden worden verplaatst!” En iedere keer was het dan weer loos alarm, Hitler heeft namelijk de aanval een aantal malen uitgesteld. En toen het dan zover was geloofde niemand dat het nu wel waar was. Ja, tot dat ze de grens overkwamen hollen. We dachten we dat we gewoon weer neutraal zouden blijven. Toch waren we eigenlijk wel een beetje gealarmeerd toen Duitsland Noorwegen binnenviel. Dat was een maand voor de aanval op Nederland, het was op een zaterdag, ik weet het nog goed. We kregen weer een alarm. Verzamelen, omhangen en naar de wapens. Daarna zijn we gaan lopen van Katwijk naar Wassenaar. Toen we daar aankwamen was het kennelijk niet meer nodig. Er was namelijk door verkenningsvliegtuigen een Duitse vloot gespot en er was groot alarm geslagen. Vervolgens bleek dat de vloot niet linksom naar Nederland ging, maar rechtsom naar Trondheim. Die nacht heb ik toen doorgebracht in een bollenschuur.

Ons wapen was een ouderwetse Schwarzlose mitrailleur, maar je schoot er twee banden mee leeg achter elkaar. Dat waren ongeveer 500 schoten per minuut. De loop was omgeven door watermantel met daarin 5 liter water. Na twee banden kookte het water en moest je het stoomkraantje openzetten en het slangetje in de grond steken om het kokende water in de grond laten lopen. Anders werd door de stoom die eraf kwam je locatie aan de vijand verraden. Dat was allemaal theorie die je al die tijd geleerd had. De zware mitrailleur was een mooi wapen, hij had een eigen affuit met een graden verdeling. Je kon je breedte, hoogte en diepte spreiden. Inclinatie en declinatie noemen ze dat. Je kon er ook los mee schieten, alle knoppen los en dan maaien!

Op de Vuurbaak

We moesten posten op de Vuurbaak met de Schwarzlose mitrailleur, die was voor de gelegenheid geplaatst op een voor luchtdoelen aangepaste affuit. 4RI MC III had een eigen compagnie fotograaf, die heeft ook deze foto gemaakt. We stonden op de uitkijk en als er dan een verdacht schip aan de horizon verscheen moesten we dat melden aan de bataljons commandant die in het Hotel de Zwaan zat. We hadden verbinding met veldtelefoons verzorgd door de verbindingsafdeling 4RI. Toen we op de vuurtoren zaten, daar was geen toilet of niets. Je moest verderop in een school naar de WC, het echt was vieze bende daar. Onderaan de Vuurbaak woonde de familie van der Plas en ik vroeg dan of ik bij hen naar de WC mocht. Ik kreeg dan vaak ook een kopje koffie. De familie van der Plas woonden ’s zomers in het zomerhuis en verhuurden dan hun huis aan badgasten. Het gezin bestond naast vader en moeder uit een heel stel meisjes en maar één jongen. “De meisjes van van der Plas” noemde ik ze. Eén heette er Dirkje , dat vond ik zo’n mooie naam! Op mijn huwelijk zijn er ook nog twee meisjes uit het gezin van der Plas geweest. Tijdens de mobilisatie kwam mijn vrouw wel eens op zaterdag met de Blauwe Tram naar Katwijk Binnen. Dan had ze een adresje ergens beneden bij de Vuurbaak en dan sliep ze bij een vissersfamilie bij de meisjes op zolder, en ging op zondag weer terug.

Met de Schwarzlose mitrailleur op de Katwijkse Vuurbaak. Bovenaan: Henk Ju uit Leiden. Midden: Kees de Graaf.

Met de Schwarzlose mitrailleur op de Katwijkse Vuurbaak. Bovenaan: Henk Ju uit Leiden. Midden: Kees de Graaf. C.F. de Graaf

We hebben tijdens de mobilisatie ook een slechte winter gehad. De winter van ’39-’40 was een hele slechte winter met vorstperiodes van wel min twintig graden. We moesten toen op wacht staan buiten, normaal stond je twee uur maar toen mocht je maar een uur buiten staan. Je mocht zelfs een gebreide bivakmuts dragen onder je helm, de oren vroren van je kop. Een jongen van onze compagnie heeft toen nog mee geschaatst met de Elfstedentocht in 1940, daar kreeg ie vrij voor. Er werd toen nog geschaatst op van die Friese doorlopers.

Straf liep je toen heel makkelijk op. In het ’s Heerenschool hadden ze een kamer ingericht en dat noemden ze het gestraften kamertje. Er zat een raam in het kamertje, dus ik was er even snel uit als dat ik er in gekomen was. Ik ben toen stiekem gaan schaatsen in Voorburg. Toen ik ’s nachts om een uur of twaalf weer terugkwam was het raam dicht en kon ik er niet meer in. Door de wacht werd gezegd “je bent er zelf uitgekomen, je ziet maar dat je er ook zelf weer in komt”. Het was wel lekker rustig hoor, ik had een paar boeken meegenomen. Ik kreeg van het kantoor waar ik werkte elke week een tijdschrift, De Haagse Post. Die bestaat al lang niet meer, het was een blad op roze papier en daar stonden tekeningetjes in van Toon Fantast. Dat was erg grappig, het waren de ernstige feiten van de week maar dan een beetje belachelijk gemaakt. Vaak had je niets te doen en dan zat je te lezen. Overal maakte je wat van om een beetje de tijd te doden.

Onze bewapening

Als je theorie van je pistool had, dan zat je aan een tafel met z’n allen en moest je een pistool uit elkaar halen. Als er dan een officier in de buurt kwam kreeg je een seintje en dan hup ging je gauw weer aan dat ding zitten klooien. Het waren FN’s dat waren Belgische pistolen, Fabrique Nationale d’Armes. Dat waren goeie pistolen. We hadden pistooldrager en we hadden karabijndragers. Ik was een karabijn drager. De mitrailleur schutter was nummer een, die had een pistool en zijn helper die de patroonband leidde die had ook een pistool dat was ter zelfbescherming. En dan had je nog een stel jongens waarvan ik nummer vijf was en de mitrailleur wagen moest sturen. Ik liep erachter en vier jongens liepen ervoor om de wagen te trekken. Ik hoefde alleen maar te sturen, ik had het makkelijkste baantje. En dan was er nog een volgwagen, dat was de munitiekar en die stond helemaal vol met kisten vol munitie. Als je in stelling was in het veld dan moesten al die andere nummer de kisten met patroonbanden aansjouwen en het stuk beschermen natuurlijk. Ik heb ook veel dienst gedaan als afstandsmeter, die zware mitrailleur schoot op 5 kilometer nog zuiver. Hij was dan ook bestemd om over de tirailleurs heen te schieten.

Ook hebben we de oude Nederlandse bunkers van 14-18 aan de Katwijkse kust nog helpen uitgraven. Die werden weer in gebruik genomen. Daar hebben ze ons dus ook flink mee beziggehouden met het uitgraven van die dingen. Een of andere koddebeier ging met ons mee om te laten zien waar de bunkers zaten. Die waren niet te zien, ze zaten helemaal onder het zand. Die koddebeiers zaten altijd in die duinen, dus die wisten precies waar die dingen zaten. Wij waren bezig met die bunkers ter hoogte van Wassenaar, daar moesten we helemaal naar toe lopen.

Je probeerde altijd zo veel mogelijk onder je dienst uit te kruipen. M’n slapie Theo de Haas was daar heel handig in, toen we nog in Leiden lagen die eerste paar dagen kwamen er op het station in Leiden allemaal paarden aan die gevorderd waren bij de boeren. Deze paarden moesten worden gebracht naar de kazerne van de artillerie, die lagen ook in Leiden. En m’n slapie liep dus ook met zo’n paard door de stad te wandelen. Die had altijd wat moois, Toen in Katwijk Binnen was hij bij ons de eten haler, dat werd in Katwijk Zee gemaakt en in een grote gamel op een handwagen naar ons toegebracht. We moesten het wel zelf gaan halen, en het was natuurlijk Theo die als eerste met die pan met eten liep te zeulen.

Ook heb ik twee keer de vierdaagse gelopen, de laatste keer was in 1939 tijdens de mobilisatie. Wij liepen zelfs 55 kilometer, die afstand bestaat nu niet meer. De grootste afstand is nu 50 kilometer per dag. Toen liepen er nog niet eens de helft mee van wat er nu meeloopt. De eerste keer dat ik meeliep sliepen we in de kazerne van de koloniale reserve. Dat waren de jongens die voor zes jaar naar Nederlands Indie gingen, die werden afgericht in Nijmegen. Die hadden een speciale tenue en een speciale hoed die aan een kant opstak. Het zag er allemaal een beetje schilderachtig uit, ze hadden ook een bepaald tempo. Die liepen heel snel met van die korte pasjes. Ze gingen dan s’ ochtends vroeg om 04.00 weg en liepen achter elkaar door, die waren erg goed afgericht! En dan had je ook nog eens van die gasten die het verschil tussen links en rechts niet kenden. Die gingen bij het marcheren dus altijd de fout in, die kregen dan een bos stro aan hun linkerbeen gebonden, zodat ze bij het commando ‘mars’ wisten met welk been ze moesten beginnen.

Ik heb ook nog in de parade gestaan op de Boulevard van Noordwijk met Koningin Wilhelmina. Er was zo’n klein mannetje in ons onderdeel die liep toen met zo’n grote klewang, dat is een soort sabel. Het was werkelijk geen gezicht, hij stond daar stoer en wel. Dat was op 4 april 1940.

Vliegtuigen boven Valkenburg

Op de vroege ochtend van de 10e Mei werden we gewekt door vliegtuigen en para’s. De vliegtuigen kwam laag over, we stonden in de tuin van ’s Heerenschool te kijken. We hadden nog nooit van ons levens para’s gezien! Onze pelotonscommandant was inmiddels op de loop gegaan, die heb ik al die dagen niet meer gezien. Er was op dat moment niet echt leiding meer, je liep een beetje als los geslagen wild. Een onderofficier, een sergeant, was op dat moment de hoogste in rang en gaf uiteindelijk het bevel om richting het vliegveld te gaan. Aankleden, omhangen en mitrailleurs uit de loods halen, we kwamen eerst in Valkenburg zelf en toen op naar het vliegveld. Dat ging allemaal best, er was op dat moment betrekkelijk weinig aan de hand en het vliegveld lag toch nog een paar honderd meter bij ons vandaan.

Er waren daar para’s en luchtinfanterie, vijftig man per Junkers 52. Het vliegveld was op dat moment nog in aanleg, de Heidemaatschappij was daar nog mee bezig. De landingsbanen waren niet goed gedraineerd, waardoor de vliegtuigwielen wegzakten in de grond. Het IR 47 moest er maar uit zien te komen onder hagel van Nederlandse kogels.

We hebben uiteindelijk stelling genomen in de Zanderij, met onze mitrailleur op de overvliegende Junkers 52 geschoten. De weg tussen Valkenburg en vliegveld was onbeschermd. De 4RI tirailleurs hadden verzuimd om de weg af te zetten. Een Duitse patrouille slaagde erin om er door te komen, en gaf mortiervuur op de Zanderij waar wij lagen. Een fragment uit mortier trof mijn slapie Theo De Haas in zijn oog, en die is toen blind aan een oog geworden. De Duitsers gebruikten Krombahngeschütz, kleine mortiertjes die met een boog in de loopgraven konden schieten. Er is in de Zanderij flink gevochten. De Duitsers hadden hun oog laten vallen op de watertoren omdat ze daar vanaf alles konden overzien. Er is toen alles aan gedaan om dit te voorkomen. Majoor Mallinckrodt heeft daar toen persoonlijk met zijn sabel een Duitse soldaat gedood. Mallinckrodt was voor de duivel niet bang! Er is later zelfs een straat in Valkenburg naar hem genoemd.

In de praktijk is van onze training niet veel terechtgekomen, omdat wij plotseling onder vuur kwamen van die mortieren vielen er meteen mensen uit en kregen we geen nieuwe munitie aangeleverd. Je werd als het ware achter je mitrailleur weggeschoten. Ik heb m’n helm en m’n gasmasker gelijk weggegooid, alles wat niet vast zat heb ik weggegooid. Dat zat allemaal maar in de weg. We waren wel op een bepaalde manier getraind maar dat was eigenlijk maar padvinderswerk. Wij hadden dus wat je noemt nog geen bloed geroken toen de oorlog uitbrak. Er was ook al een hele tijd geen oorlog meer geweest. Ik liep later als gevolg van mijn verwondingen in mijn schouder een abces op veroorzaakt door stukjes hout en uniform. Ik ben daarvoor toen in het AZL in Leiden behandeld. Ik ben echt een Zondagskind! Ik ben ook op zondagochtend geboren.

Overgave

Nederlandse gevangenen op het grasveld naast de NH kerk.

Nederlandse gevangenen op het grasveld naast de NH kerk. E. Wolthaus

Na onze gevangenneming in de Zanderij zijn we naar het Castellumplein in Valkenburg gebracht. Ik heb ook op het grasveld gezeten als gevangene. Toen 4RI MC III onder Krombahngeschütz kwam te liggen in de Zanderij kwamen Duitse soldaten ons terrein op en toen liepen er meteen al Hollanders met hun handen omhoog. Dan kun je niet meer terugschieten anders schiet je je eigen mensen neer.

De mortier compagnie van 4RI is toen over het strand vanuit Noordwijk naar Katwijk gekomen bij de tegenaanval om vliegveld te heroveren. 4RI MC III heeft niet aan de tegenaanval voor het vliegveld meegedaan. Wij waren toen al gevangen genomen.

Er stond een stuk 6 veld (Een Nederlands kanon.) op de Boulevard in Katwijk, dat heeft op bevel van de bataljons commandant op de kerk in Valkenburg geschoten. Er waren toen 5 of 6 doden. Dit was om de Nederlandse gevangenen de gelegenheid te geven om te ontsnappen. Ik zat ook in de kerk tijdens deze beschietingen er zat een groot gat in het dak, ik heb daarna nog geholpen om de doden naar buiten te dragen. Daarna we naar een garage gebracht in Valkenburg en daar opgesloten, ik weet niet meer precies hoe het daar heette, maar het gebouw staat er nog. Ik weet het nog goed het was op een Pinksterdag. Ik ben toen nog een paar dagen voor het thuisfront zoek geweest, toen is mijn vader en mijn verloofde op een boerenkar de omgeving af gaan zoeken om te kijken of ze mij konden vinden. Mijn onderdeel lag toen natuurlijk niet meer in Katwijk-binnen. Waar ze ook kwamen en ze soldaten zagen keken ze of ik er ook bij was.

Na de capitulatie moesten we verzamelen bij ons eigen onderdeel. We waren officieel nog steeds in dienst en we mochten pas half juni naar terug naar huis. We werden overgebracht naar het verenigingshuis naast de St Jeroens kerk in Noordwijk-binnen. Het Nederlandse leger hoefde niet in krijgsgevangenschap dit werd beschouwd als een gunst van “Ome Adolf” naar het Nederlandse volk. Overdag werden we ingezet in het bos en de duinen en moesten we bomen rooien en dood hout opruimen. Ze moesten je toch een klein beetje bezighouden, maar je mocht niet naar huis. Ik was in de vrije natuur dus dat was het ergste niet. Je was al blij dat je het er levend af had gebracht. Van mijn onderdeel zijn er in verhouding weinig gesneuveld.

 “Zur Zeit nicht Transportfahig”

Door toenemend verzet moest men zich in ’43 toch weer melden. De officieren in Breda. Die zijn later naar een kasteel ergens in Polen gebracht, daar zijn ze goed behandeld. Maar de soldaten en onderofficieren moesten op 2e Pinksterdag naar Kamp Amersfoort. Mijn vrouw was inmiddels in verwachting dus ik had helemaal geen zin om me te melden. Van een dokter van de ondergrondse had ik het adres gekregen van internist freule Henriëtte van Pantaillon van Eck. Die heeft toen een attest ter grootte van een A4tje voor me geschreven. Ongeschikt voor tewerkstelling. Achter het prikkeldraad van Kamp Amersfoort, moesten we een grote loods binnengaan. Daar binnen stonden allemaal tafeltjes met een letter erboven, A tot en met Z. Ik moest naar de tafel met G erboven, daar zat een Rijksduitser achter. Dat zijn Duitsers die al lang in Nederland woonden maar zich niet hadden naturaliseren tot Nederlander. Die waren door Duitsland opgeroepen tot mobilisatie en werden gebruikt voor klusjes als in Amersfoort, maar ook voor het bewaken van fabrieken en spoorlijnen. Als je je moest melden en je stond met je handen in zakken, daar hadden die moffen een hekel aan. “Hande aus die Taschen” schreeuwden ze dan. Ik heb me toen gemeld met zakboekje en attest van de dokter, mensen met brief van de dokter moesten zich achter in de zaal melden bij de Stabsartzt. Daar zaten ook anderen met zware oorlogsverwondingen, ik zei tegen de arts dat ik maagklachten had. Maar het was inmiddels 12.00 geworden en de Stabsartzt was gaan lunchen, en die kwam niet terug voor 14.00. De Rijksduitser las mijn attest en gaf de tip dat “hij gaat vragen of je rookt”. Daar had ik dus al op gerekend en had mijn vingers schoongemaakt. Er werd me inderdaad gevraagd of ik rookte, en ik zei nee. “Wanneer heb je voor het laatst gerookt” werd me toen gevraagd. Gisteravond “zur Unterhaltung” omdat de hele familie bij elkaar was bij om afscheid te nemen. Ik kreeg uiteindelijk briefje “Zur Zeit nicht Transportfahig” en moest over 3 maanden terugkomen. Geloof je het zelf? Als men niet verscheen zou er “Polizei Zwangmassige vortfuhrung” plaatsvinden. In het geval van geen Ausweis was men vogelvrij, het was een vrijstelling als je voor een doel noodzakelijk was. Bijvoorbeeld in de voedselvoorziening of als je voor de Duitsers werkte. Ik ben er als zondagskind weer eens doorheen gerold.

Onderduiken

We woonden toen in Voorburg waar ik was ondergedoken, ik had een gat in de houten vloer van de badkamer gezaagd. Dit was in november 1944. Op een gegeven moment kreeg ik een brief in de bus dat alle mannen van een bepaalde leeftijd zich buiten op moesten stellen. Met wat eten en kleding voor de volgende dag en dan zou men opgehaald worden. Daar had ik dus mooi geen zin in! Ik ben nog buiten wezen kijken maar er was niemand, ik was dus niet de enige die geen had. Ik ben toen onder de grond gekropen in de badkamer, en heb het zeil er weer overheen getrokken. Er kwam toen een huiszoeking, het waren jonge soldaten van 18-19 jaar oud. Er werd gekeken of er mannen kleding aan de kapstok hing, het hele huis werd doorzocht. Ook in de tuin en de schuur zijn ze geweest. Ze hadden zwaar de pee in! Ze waren helemaal uit Gouda komen lopen. Mochten ze door de vloer schieten dan kon ik in de kruipruimte naar de plaats kruipen waar het bed stond.

Het was ook de tijd je fiets gevorderd werd. Eén van de bovenburen ging op de fiets weg en dacht het wel losliep, maar kwam mooi lopend terug. Van mijn baas op kantoor had ik te horen gekregen dat als het te gevaarlijk werd, ik thuis mocht blijven. Bij het viaduct tussen Den Haag en Voorburg werden veel mannen opgepakt, in een fuik. Voedsel was inmiddels karig in de stad, Er was spotprent van een Duitser: “Was er nicht fresst, schleppt er mit”. Alles wat eetbaar was werd weggesleept. Er was een bonnen systeem, maar de winkels waren leeg. Je was het beste af op een boerderij, dan was je zelfvoorzienend. We hebben ’s nachts tijdens Sperrtijd bomen omgezaagd voor hout voor de kachel en bloembollen gegeten als er niets te eten was.

De jaarlijkse reunie

Majoor Mallinckrodt

Majoor Mallinckrodt C.F. De Graaf

Tijdens de oorlog werd er al begonnen met reünies van 4RI in hotel de Zwaan op de Boulevard, dit is later een vereniging van oud strijders geworden. Dit gebeurde in het diepste geheim onder leiding van bataljons commandant Majoor Mallinckrodt. We kwamen later nog vaak in Katwijk en de Bollenstreek, ik heb er tijdens de mobilisatie toch zo’n 9 maanden doorgebracht. Mijn vrouw was er ook verzot op, heerlijk rondrijden ook als er geen bloembol te zien was. Ik heb heel veel herinneringen aan deze tijd, we kwamen met onze compagnie eens per jaar bij elkaar. Eerst in de kantine van het vliegveld en daarna werden we door de gemeente Valkenburg ontvangen.

Ik denk dat ik de enige nog levende ben van mijn onderdeel, mijn slapie Theo de Haas is twee jaar geleden overleden. Die was net zo oud al als ik, we zijn van dezelfde lichting. We zijn ook gezamenlijk opgekomen in 1935, toen hebben we elkaar voor het eerst ontmoet. En tijdens de mobilisatie van 1939 kwamen we weer bij elkaar in de dezelfde compagnie. Tijdens de mobilisatie zijn Theo en zijn vrouw verloofd, en ben ik nog op hun verloving geweest in Rijnsburg, daar kwam zij vandaan. Tijdens mijn 50 jarige bruiloft zijn er ook nog een stuk of tien van mijn compagnie geweest, maar die zijn inmiddels al lang dood. Cor van Veen uit Leidschendam, Henk Imthorn van die jongens van de bloemenzaak dat was een Valkenburger en Jan van Rijn uit Lisse. We hadden een hele tafel met van die knullen, Natuurlijk, we kropen altijd bij elkaar. Zo’n band blijft altijd. We hebben samen onder vuur gelegen en toch negen maanden met elkaar opgetrokken en rottigheid uitgehaald.

 

Rijnsburg tijdens de meidagen Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook