Terug

Militaire slachtoffers – Katwijk

“We zullen vechten voor ons trotsche bataljon”

In het ’s Heerenschool in Katwijk aan den Rijn is in alle vroegte groot alarm geslagen. De manschappen van het III M.C. 4-RI die sinds augustus 1939 enkele gebouwen van het Seminarium bevolken zijn ruw in hun slaap gewekt door het geluid van vliegtuigmotoren. In de tuin van het Seminarium staan ze met verbazing te kijken naar het schouwspel wat zich boven hun hoofden afspeelt.

Aanvankelijk wordt aangenomen dat het Duitse bommenwerpers zijn op weg naar Engeland, maar niets is minder waar. Hemelsbreed, op nog geen twee kilometer afstand, wordt er hevig geschoten en dalen er Fallschirmjägers neer op vliegkamp Valkenburg. Bevelen worden gegeven om de wapens om te hangen en de karren met de zware mitrailleurs uit de schuren te halen. Uiteindelijk begint de realiteit tot hen door te dringen en ze beseffen: het is oorlog!

Het is even voorbij half zes als III 4-RI onder leiding van Majoor Mallinckrodt de eerste tegenaanval inzet. Bij een aanval op deze schaal worden er veel slachtoffers verwacht, zodat een van de eerste bevelen van commandant Overste Buurman luidt dat er met spoed een hulpverbandplaats in het Seminarium ingericht moet worden om de eerste gewonden op te kunnen vangen. Belast met deze taak is de regimentsarts reserve Officier van gezondheid 1e kl. M. Witkamp. Het geneeskundig personeel wordt beschikbaar gesteld door I 4-RI dat zich op dat moment in de Duinschool aan de Bronckhorststraat in Katwijk aan Zee bevindt. De medische staf van het I 4-RI bestaat uit bataljonsarts de Keizer en Arts Lt. Nieuwenhuizen. In totaal wordt er vier man met al het beschikbare materiaal naar Katwijk aan den Rijn gestuurd.

III 4-RI treft de Duitse troepen aan de rand van het vliegveld en in de omliggende duinen en neemt stelling in de Zanderij. Er wordt verwoed gevochten om de watertoren en de weg langs het vliegveld naar Katwijk aan den Rijn. Eén van de eerste slachtoffers van de aanval op het vliegveld is J.C. (Han) van Haastrecht, afkomstig uit Den Deijl in Wassenaar. Als dienstplichtig soldaat is Van Haastrecht ingedeeld bij het onderdeel zware mitrailleurs en wordt dodelijk in het hoofd getroffen als er door de Duitsers Krombahn mortier geschut tegen MC-III wordt ingezet. Een mortiergranaat ontploft vlak boven zijn Schwarzlose mitrailleur. Hij wordt ter plekke begraven aan de Cantineweg. Later in mei zal hij herbegraven worden in Katwijk aan den Rijn om tenslotte op 20 februari 1968 zijn laatste rustplaats te vinden op het Erekerkhof aan de Broekweg in Valkenburg. Bij de Watertoren aan de Cantineweg richt men een noodverbandplaats in om de eerste hulp te bieden aan een tiental gewonden, de doden worden noodgedwongen achtergelaten in de Zanderij. Een groot gedeelte van III 4RI wordt bij deze actie gevangen genomen en naar Valkenburg afgevoerd. De overige manschappen van III 4-RI worden gestationeerd bij de ingerichte hulpposten, terwijl personeel van het uit Noordwijk opgerukte II 4-RI ook naar Katwijk aan den Rijn wordt gestuurd om de daar steeds groter wordende gewondennesten te kunnen helpen. Dit zijn geïmproviseerde plaatsen om gewonden te verzamelen, waarna ze op een later tijdstip afgevoerd kunnen worden. Dit kan in het geval van beschietingen een kelder zijn, maar ook woonhuizen en schuren worden hiervoor gebruikt.

Inmiddels wordt er niet alleen in Valkenburg gevochten, maar zijn de Duitsers al opgerukt naar Katwijk aan den Rijn en ligt het Seminarium in de vuurlinie. Op de tiende mei om twaalf uur ’s nachts is het Seminarium weer op de Duitsers heroverd. Eén van de slachtoffers van de herovering van Katwijk aan den Rijn is dienstplichtig soldaat Jacobus Vlugman. Hij wordt op patrouille gestuurd en doodgeschoten door een aantal Duitsers die hebben weten door te dringen in de gebouwen van de Seminarie. Hij wordt als katholiek begraven bij de RK Joannes de Doper kerk in Katwijk aan den Rijn en evenals soldaat van Haastrecht op 20 februari 1968 overgebracht naar de ere begraafplaats aan de Broekweg in Valkenburg.

Ondanks de herovering van Katwijk aan den Rijn op de Duitsers wordt er toch besloten om de hoofdverbandplaats te verplaatsen van het Seminarium naar het Zeehospitium te Katwijk aan Zee. De schoolgebouwen van het Zeehospitium worden sinds de algemene mobilisatie al bevolkt door Nederlandse troepen. Op allerlei manieren worden vanuit Katwijk aan den Rijn de gewonden aangevoerd, per draagbaar of raderbaar en zelfs op de fiets. De dienstdoende arts op dat moment is de Dr. J. Niekerk uit Noordwijk die met het beschikbare personeel de binnenkomende stroom gewonden het hoofd probeert te bieden. De zwaargewonden worden zo goed mogelijk gestabiliseerd en daarna per auto naar de ziekenhuizen in Leiden gebracht, alwaar de artsen en verpleegsters bij de poort klaarstaan om de gewonden op te vangen.

Het gezamenlijke graf van het 5-4 Dep. Bat. te Rijswijk waar ook Klaas Ros begraven was.

Het gezamenlijke graf van het 5-4 Dep. Bat. te Rijswijk waar ook Klaas Ros begraven was. Mevr. De Lange

In de eerste oorlogsdagen zijn er ook al drie Katwijkers gesneuveld. Het betreft Klaas Ros, Maarten van Duijn en Jan Hoek. Klaas Ros en Maarten van Duijn, op het moment van de inval beide 19 jaar oud, zijn als dienstplichtig soldaat ingedeeld bij de depottroepen van het 4-RI. Deze zijn gelegerd in de kazerne aan de Hoefkade in Den Haag. Over het algemeen bestonden deze depottroepen uit jonge rekruten die net hun basisopleiding hadden voltooid. Klaas Ros is ingedeeld bij het 5-4 Dep. Bat. en Maarten van Duijn bij het 4-4 Dep. Bat. Op de 10e mei vertrekt het bataljon van Klaas Ros om 06:15 uit de kazerne aan de Hoefkade om tegenstand te bieden aan de Duitse parachutisten die in alle vroegte geland zijn bij het vliegveld Ypenburg. Er wordt in eerste instantie stelling genomen bij het riviertje de Vliet aan de rand van Den Haag en Rijswijk. De eenheid van Klaas Ros, op dit moment niet meer dan een depotcompagnie rekruten, biedt zich vrijwillig aan om de eerste aanval op het vliegveld voor hun rekening te nemen. Vanaf de Hoornbrug wordt de aanval vervolgens ingezet waarbij men meteen onder zwaar Duits vuur komt te liggen vanuit de Johannahoeve. Deze ligt ongeveer 400 meter oost van de autoweg en is door de Duitsers omgebouwd tot een ware vesting. Nabij de eerste hangars ter hoogte van de Pongong Hoeve wordt hij dodelijk getroffen vanuit de lucht door granaat vuur van een Duitse jager. Op 13 mei wordt hij begraven in een gezamenlijk graf te Rijswijk. Later dat jaar op 10 oktober 1940, na een verzoek van zijn vader aan de burgemeester, werd hij overgebracht naar de NH begraafplaats in Katwijk aan Zee om daar te worden bijgezet in een familiegraf.

Het onderdeel van Maarten van Duijn wordt aanvankelijk in reserve gehouden bij de Hoornbrug, maar na het mislukken van de eerste aanval wordt in de middag van de 10e mei het 4-4 Dep Bat dan toch ook ingezet. Het wordt een hachelijke onderneming en alleen al bij de opmars door het open terrein sneuvelen er 10 soldaten. Er staan Duitse mitrailleurs opgesteld in de verkeerstoren alsmede op bijna alle gebouwen van het vliegveld. Ook krijgen ze zwaar vuur vanuit de lucht te verduren als er jachtvliegtuigen van de Duitse Luftwaffe ten tonele verschijnen. Maarten van Duijn laat tenslotte het leven bij de hoofdingang van het vliegveld Ypenburg. Hij wordt eveneens als Klaas Ros op 13 mei in een gezamenlijk graf in Rijswijk begraven. In tegenstelling tot Ros wordt hij niet thuisgehaald en op 17 mei 1941 herbegraven op de gemeentelijke begraafplaats in Rijswijk. Beide mannen hebben het vliegveld slechts op 250 meter weten te naderen.

Met zijn 33 jaar is Jan Hoek al wat ouder dan zijn plaatsgenoten en als dienstplichtig soldaat ingedeeld bij het Depot Vaartuigendienst Amsterdam. Het Depot is vooral bedoeld voor maritiem militair vervoer en had geen krijgstaken. Desondanks beschikte het Depot over zes lichte mitrailleurs. Het detachement had vooral maritieme taken, zoals de evacuatie met schepen en het ondersteunen van de landmacht met het vervullen van pontdiensten. In het dagelijks leven is Jan motordrijver op de visserij. Hij bevindt zich op de 11e mei op het Rode Kruistransportschip de Actinia. Het schip, onder het bevel van schipper Huisman, neemt deel aan de evacuatie van burgers uit de regio van de Grebbelinie. De Actinia is van oorsprong een binnenvaartschip maar is na vordering door het Nederlandse leger omgebouwd tot Rode Kruisschip. Echter op de Merwede bij Werkendam, op de terugweg van Sliedrecht naar Amsterdam slaat het noodlot toe. De Actinia loopt op een mijn waardoor Jan samen met nog negen andere Rode Kruissoldaten komt te verdrinken. Jan’s lichaam wordt meegevoerd met de sterke stroom en pas weken later op 23 september 1940 gevonden bij Sliedrecht. Een dag later wordt hij begraven op de algemene begraafplaats in Sliedrecht, om vervolgens op 12 november van datzelfde jaar te worden herbegraven op de NH begraafplaats in Katwijk aan Zee. Tenslotte wordt hij in september 1969 als zovelen gesneuvelde soldaten overgebracht naar het Nederlandse ereveld Loenen in de Gemeente Apeldoorn waar hij in vak C op nummer 236 wordt bijgezet.

Dan komt het bericht van de capitulatie. De ontzetting bij de soldaten is niet te beschrijven. Volwassen mannen barsten huilen uit terwijl anderen hun woede niet kunnen beheersen. Harde woorden vallen aan het adres van ons koningshuis dat enkele dagen eerder de vlucht heeft genomen naar Engeland. Men voelt zich verraden en in de steek gelaten. De Nederlandse eenheden worden door hun commandanten toegesproken en marcheren daarna af naar de plaats vanwaar ze ten strijde getrokken zijn. Er wordt appèl gehouden en ieders naam wordt afgeroepen. Als er geen reactie komt worden er gevraagd of diegene nog door iemand gezien is of wat er eventueel met hem gebeurd kan zijn. Als er niet bevestigd kan worden dat de soldaat in kwestie gesneuveld is wordt hij door de administrateur van de compagnie als vermist genoteerd. Lijsten worden samengesteld en de balans van vijf dagen oorlog kan worden opgemaakt. De Nederlandse soldaten gaan weliswaar niet in krijgsgevangenschap, maar ze mogen ook nog niet naar huis. Ze krijgen van de bezetter taken toegewezen zoals het bewaken van militaire objecten en het opruimen van oorlogspuin. Vliegpark Valkenburg wordt omgedoopt tot Flugplatz Katwijk en de Duitse bevelhebber in Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg wordt de commandant van de “Bremerbrigade”, het 22e Reg.Luchtinfanterie, Kolonel Oberst Heyser. Nederland kan zich opmaken voor vijf lange oorlogsjaren.

Er wordt door de kerkelijke gemeentes streng op toegezien dat soldaten van de verschillende geloven ook op de begraafplaats van de bijbehorende kerk worden begraven. In Katwijk aan den Rijn worden de Nederlands Hervormde slachtoffers bij de Dorpskerk begraven en de Katholieken bij de RK. Joannes de Doper kerk. Men vindt het belangrijk dat de lichamen van de gesneuvelden soldaten niet in ongewijde grond rusten. Er hoeven tot op de dag van vandaag geen grafrechten te worden betaald, de grond wordt door de desbetreffende kerkvoogdij volledig kosteloos ter beschikking gesteld. Dit om de ereschuld van het sterven voor het vaderland in te kunnen lossen.

Een uitzondering op dit alles is het graf aan de Cantineweg. Bij de ingang naar de schietbanen in het duin verrijst een militair eregraf dat daar tot eind jaren 60 zal blijven liggen. Daarna worden de lichamen van de soldaten die niet door familie zijn thuisgehaald herbegraven op de erebegraafplaats aan de Broekweg in Valkenburg. Op woensdag 15 mei worden de Nederlandse gesneuvelden die her en der in het veld begraven liggen verzameld en herbegraven op het graf aan de Cantineweg. Het is geen prettige klus. Afgezien van het feit dat velen hun makkers moeten begraven is het warm weer en het werk is zwaar. Ze hebben sinds de 10 mei geen fatsoenlijke nacht rust gehad en het zweet gutst van hun lichamen bij het delven van de graven. Op een vrachtwagen worden de lichamen aangevoerd, sommigen onherkenbaar verminkt en anderen opgezwollen omdat ze al sinds de 10e mei in het veld hebben gelegen. Het is dus zaak dat er snel gewerkt wordt. De doden zijn geborgen door eenheden van 4-RI die in linie door de duinen en over het vliegveld zijn gegaan. Bij het bericht van de capitulatie heeft Majoor Mallickrodt zijn manschappen verzocht om ieder jaar weer naar de plek aan de Cantineweg terug te keren om hun gesneuvelde kameraden te herdenken, dit zal dan ook gebeuren.

Oorlogsmonument

Na de bevrijding moest er een herdenkingsmonument komen, er wordt gekozen voor een ontwerp van de kunstenaar Ludwig Oswald Wenckebach. In het dagelijkse leven hoogleraar bouwkunde aan de TU in Delft werkt Wenckebach hoofdzakelijk in steen en brons en heeft in die tijd al meerdere oorlogsmonumenten op zijn naam staan. Onder andere op de Eerebegraafplaats Bloemendaal, de Koningin Astrid boulevard in Noordwijk en voor het stadhuis in Gouda. Ook is hij de ontwerper van het Verzetskruis 1940-1945.

Op 13 november 1948 wordt onder grote publieke belangstelling door de inmiddels oud-commandant majoor J. Mallinckrodt het oorlogsmonument “De Leeuw” onthuld. De financiën worden bijeengebracht door de gemeente, de inwoners van Katwijk en de vereniging van oud-strijders van 4-RI. Als plaats wordt gekozen voor het plantsoen van het Burgemeester Ridder Park naast het gemeentehuis. Tot op de dag van vandaag worden hier op de 4e mei de Nederlandse oorlogsdoden herdacht. Na een korte toespraak van de burgemeester of wethouder worden er door vertegenwoordigers van de krijgsmacht, het verzet, de koopvaardij en voormalig Indiëgangers kransen gelegd, daarna op de voet gevolgd door alle scholen in Katwijk.

Jan van der Meij Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook