Terug

Stuurman in Cuxhaven

De oorlogsbelevenissen van Gerrit van Duijn

(Interview Dhr. G. van Duijn, d.d. 30 juni ’09).

Gerrit van Duijn

Gerrit van Duijn Katwijk in Oorlog

Ik ben van 1920, dus nu 89 jaar oud. We woonden in de rooie buurt en ik zat op school in de Jan Tooropstraat. Na schooltijd speelden we altijd op straat. We waren thuis met z’n dertienen, zeven broers en drie zusters. Ik zat ergens tussenin. Om alle kinderen te kunnen huisvesten werd ons eerste ouderlijk huis verruild voor een groter huis in de Romeinenstraat. Het had een grotere zolder, maar daar konden ze ons ook niet eens kwijt.

Mijn vader had samen met z’n broers een kotter. Die lag in IJmuiden. ’s Zomers voeren ze er zelf op en in de winter verhuurden ze het schip aan anderen. Dan konden ze in de winter thuisblijven. In het kader van de mobilisatie ben ik samen met twee andere broers opgeroepen voor militaire dienst. We hoefden niet allemaal, want in ons geval was er sprake van broederdienst. We waren met zeven broers, dat betekende dat de ene broer wel moest en de andere niet, dus we zaten uiteindelijk met z’n drieën in dienst. Ik kreeg een brief dat ik moest opkomen en na drie maanden als dienstplichtig soldaat brak de oorlog uit. Ik was net als vele andere Katwijkers gelegerd in de kazerne aan de Hoefkade in Den Haag. Schoolkameraden als Klaas Ros, Maarten van Duijn en Kees Blonk zaten daar ook. Er waren weliswaar meerdere kazernes in Den Haag, maar wij belandden aan de Hoefkade. Dat was onderdeel van het 4e. Het was niet ongezellig allemaal. Je was nog in opleiding en overdag deden we niets anders dan marcheren. Het was veel lopen! De opleiding was allemaal wel vrij streng. Als je te laat was werd je zonder pardon gestraft. Ik heb voor de rest wel een goeie tijd gehad. Ik ben op een gegeven moment koksmaatje geworden en toen zat ik helemaal gebakken. De burgers uit de Schildersbuurt kwamen dan bij ons eten, het was net een soort gaarkeuken. Maar dan een goede.

Ik kwam tussendoor ook nog wel eens thuis, we gingen dan om het hardst op de fiets door het duin naar Katwijk. Dat was dan in het weekend als je vrij was. We moesten ook wel eens wachtlopen in de Schildersbuurt, dat was vlakbij. Rijk werden we er niet van. De soldij bedroeg slechts een gulden in de week, daarvan moesten we ook nog eens 10 cent afdragen voor “de ramen die je ingooide”. Dat gebeurde natuurlijk nooit, maar de officieren hielden wel mooi het geld in. Ik was slechts dienstplichtig soldaat, en als dienstplichtige werd je in die tijd door de bewoners van de chique Schildersbuurt met de nek aangekeken. Echter toen het oorlog was konden we opeens overal een bakkie koffie krijgen.

Op de ochtend van de tiende mei werden we om vier uur ’s ochtends gewekt. Het was licht en de zon was al op. Het was oorlog en daar hadden we werkelijk geen voorstelling van. We zijn vanuit de kazerne richting Rijswijk getrokken en daar lagen we langs de Vliet bij de Hoornbrug. Naast ons lag een een tank in stelling om het land erachter te verdedigen. Op een gegeven moment kwam er een wagen met Duitsers aan de overkant en die werd meteen door ons beschoten. We waren zo zenuwachtig! Echt iedereen. Die lui in de tank waren zo zenuwachtig dat ze een granaat dwars door een huis schoten. Later moesten we bij die brug vandaan en kwamen we in een weiland te liggen. We hebben toen vijf dagen buiten in een loopgraaf gelegen. Overdag was het schitterend mooi weer maar ’s nachts barstte je van de kou. Slapen konden we niet. En dan begon er ook nog een ’s avonds te gillen “een Duitser”! Dan keken we ’s ochtends als het weer licht was en dan bleek het een schaap te zijn. De uitrusting was heel slecht, ik had een geweer uit 1800 en was zeker geen scherpschutter.

Toen ben ik ook Maarten van Duijn en Klaas Ros kwijtgeraakt, zij zaten bij een andere eenheid. Die zijn direct naar het vliegveld Ypenburg gestuurd. Van mijn eenheid is niemand gesneuveld, wij lagen achter de eenheden van Ros en van Duijn. Die hebben ook de aanvallen op het vliegveld uitgevoerd. Zover zijn wij nooit gekomen. De Nederlandse officieren lieten ons na afloop naar de neergestorte vliegtuigen en de gesneuvelde Duitsers kijken. We moesten die verplicht bekijken. Toen zagen we ook wat ze allemaal aan uitrusting hadden en waar wij dus niet over beschikten. Daarna zouden we eigenlijk nog naar Rotterdam gaan maar dat is er nooit meer van gekomen. Er was verwarring alom. We kwamen op een gegeven moment twee Hollandse soldaten uit Limburg tegen die met een heel zwaar accent spraken. Meteen werd er gedacht dat het verklede Duitsers waren, die hebben we bijna doodgeschoten. Er deden zich namelijk de raarste verhalen de ronde over Duitsers die zich in Nederlandse uniformen hadden gestoken om zo de vijand te misleiden.

Mijn ene broer zat bij de Nederlandse marine. Hij is in de oorlogsdagen in Frankrijk terechtgekomen. Hij was op de 10e mei in Zeeland. Na de inval zijn ze lopend teruggetrokken door België en in Frankrijk beland. Hij is gelukkig niet in Engeland terechtgekomen. Mijn vader is hem nog gaan zoeken in Zeeland, maar heeft hem niet gevonden. Mijn andere broer Piet heeft bij de Grebbeberg gezeten. Ze moesten er naar toe maar voordat ze er waren was de strijd al afgelopen. Hij heeft dus gelukkig niet veel meegemaakt. Hij zat bij de wielrijders, dat zijn de Huzaren. Je had daar toentertijd een liedje over.

Na de capitulatie moesten we terug naar de kazerne daar moesten we een paar dagen blijven en dan mocht je naar huis. Maar ik ging niet naar huis! Ik ben toen naar de Opbouwdienst gegaan, ‘De Schop’ werd dat in de volksmond genoemd. De opbouwdienst was in juli 1940 opgericht om verdere uitbreiding van werkloosheid in Nederland te voorkomen. Dat ging van de Duitsers uit. We droegen een mouwembleem met een witte driehoek op ons gewone militaire uniform. Op de kazerne werd gezegd dat je daar in aanmerking voor kon komen. Er werd ons verteld dat we vijftien gulden zouden verdienen, maar we kregen er geen stuiver voor. Het was in de eerste instantie hier en daar een helpen met puinruimen. We hebben nooit wat gevangen, ja, een gulden. Ze zeiden ook niet hoe lang het ging duren met die Opbouwdienst. Er was verder geen werk in de buurt en je wilde toch een centje verdienen. Ik voer en de visserij lag stil. Het ging ons om de centen en niet zo zeer om de opbouw. Ik heb uiteindelijk een half jaar in de opbouwdienst gezeten en we werden heel Nederland doorgesleept om te werken. Het was allemaal niet zo spannend, het moreel was laag en discipline was ver te zoeken. Na een half jaar werd de Opbouwdienst opgeheven en is toen overgegaan in de Nederlandse Arbeidsdienst. Ik zat samen met Jan Hoek, Henk Vis een zoon van de begrafenis ondernemer, Siem de Jong, Kees Nijgh en Piet Plokker. Je hoefde er niet voor te tekenen, maar als je erin zat kwam je er niet zo makkelijk uit. Ik zat er in en moest dus heel wat moeite doen om er weer uit te komen. M’n vader is toen naar meester Varkevisser gegaan, dat was de directeur van de visserijschool. Die heeft gezorgd dat ik ging varen en toen mocht ik er uit. De oude visserijschool stond op het puntje van de Burgerdijkstraat, het gebouw is er nu niet meer. De rest van de jongens zijn er uiteindelijk ook uit gekomen.

Je moest wel op de hoede zijn. Op de kazerne in Leiden zijn we er bijna ingeluisd. Er was een wervingsofficier met allerlei mooie praatjes over het Legioen. Ik werd toen op tijd gewaarschuwd door een jongen uit Katwijk die ook in dienst zat. Hij zei nooit tekenen, want dan kom je bij de SS terecht!

Ik heb de visserijschool afgemaakt en ben daarna voor de Duitsers in de Zuidduinen gaan werken. Dat betaalde wel. Het waren Katwijkse en Scheveningse aannemers die het werk uitvoerden, Witkop en Splinter waren de grootste. Ik deed daar van alles, bunkers bouwen, helm poten en loopgraven maken. Zaterdags kreeg je dan een loonzakje. Als je zondags werkte kreeg je twee extra dagen vrij, dus al die Amsterdammers werkten wel op zondag, wij natuurlijk niet. De leiding zei: “Als je niet meer komt zorgen we dat je familie naar Duitsland wordt afgevoerd”. Daar dreigden ze dan mee.

Ik heb daar een jaar gezeten en daarna ben ik op het land gaan werken. Op een gegeven moment ben ik mijn persoonsbewijs kwijtgeraakt, die had ik ingeleverd tijdens mijn werk en die kreeg ik niet meer terug. Als je geen persoonsbewijs had konden ze je zomaar oppakken en afvoeren naar Duitsland. Dat is dan ook gebeurd.

We werden met twaalf Katwijkers in een vrachtwagen geladen en naar Leiden gereden. Allemaal jongens van mijn leeftijd. Van daar uit naar Goslar, in het noorden van Duitsland, daar zaten ook al een paar Katwijkers. Het was ergens in de buurt van Hamburg. We zaten daar toen met z’n allen aardappels met de schil erop te eten, toen Piet Plokker zei: “We moeten maken dat we wegkomen mannen”. We zouden te werk gesteld worden bij een fabriek in Hamburg. We zijn toen met z’n allen gevlucht en op de trein gestapt. Juist die nacht was er een bombardement met 1.000 bommenwerpers op de stad Hamburg. In de verwarring zijn we toen ontkomen aan onze bewakers. Ze hebben ons nog wel achterna gezeten maar niet te pakken gekregen. Daarna zijn we in de havenplaats Wesermünde terechtgekomen, dat is tegenwoordig Bremerhaven. We werden daar ontvangen als in een hotel, want ze dachten dat we vluchtelingen uit Hamburg waren. Toen het bleek dat dat niet zo was moesten we weer snel maken dat we wegkwamen en zijn we uiteindelijk in Cuxhaven beland.

We waren nog steeds op de vlucht en zijn toen naar de haven gegaan om ons geluk te beproeven. Op een gegeven moment werd er door een schipper aan me gevraagd of ik zeeman was en of ik bij hem wilde varen, ja natuurlijk. Dus ik ging met hem mee. Het was een klein bootje van een meter of tien. Het heette de Otterndorf 90, naar het plaatsje waar de schipper vandaan kwam. Hij heette Klaus Meyer en was geen vissersman, maar gewoon boer. Hij wilde niet in dienst en toen heeft hij een bootje gekocht om te gaan vissen. Dan was je namelijk onderdeel van de voedselvoorziening en hoefde je niet in dienst. Dat deden er wel meer. We zaten er met z’n drieën op. De schipper, ik was stuurman en een matroos. Officieel ving een stuurman 24% van de besomming en een matroos maar 3. Toen vroeg de schipper willen jullie het delen? Dat vond ik goed dus kregen we allebei 12. De schipper was een jonge kerel, maar even ouder dan ik. Hij had een hele jonge vrouw. Aan boord heb ik een leven gehad als een prins. Ik had onderdak, had eten en een grote mate van vrijheid. Ik kon geld gaan halen en mocht van boord als ik dat wilde. Tussendoor hielp ik nog een ouder echtpaar die een winkel hadden. Van hen kreeg ik ook weer allerlei spullen, nu en dan weer een mes of kleding. Iedere dag als het goed weer was gingen we naar Helgoland, gelegen in de Duitse bocht en ongeveer 70 km uit de kust. ’s Nachts mocht je niet uitvaren dus overdag gingen we daar vissen. Je merkte weinig van de oorlog, eigenlijk alleen aan de vliegtuigen die overgingen. Ik ben zelf gelukkig nooit beschoten. Er zijn wel vissers door mijnen omgekomen. Die lagen er genoeg, als je er een raakte dan vloog je zo de lucht in. Op een keer liep er in de buurt een schip op een mijn. Er is toen maar één man levend afgekomen, die had zich aan de achtermast vastgehouden. Een losgelagen mijn heb je normaal niet zo veel last van, die sloegen op slot als ze niet meer verankerd waren. Maar je had er altijd die alsnog afgingen als je ze onverhoopt raakte.

In tegenstelling tot de rest van Duitsland hadden we van alles te veel. Drank, sigaretten, vlees en brood, alles was er in overvloed. We visten onder de Kriegsmarine en die hadden het een stuk beter dan de Wehrmacht. We ruilden manden kabeljauw met de Kriegsmarine tegen drank en andere zaken. Ook ging ik samen met de schipper ’s nachts wel eens eenden schieten op een stuk drooggevallen land in de buurt.

De rest van de Katwijkers is het wat minder vergaan, die hebben op een hektrolder (Hecktrawler) gezeten en hebben het niet zo best gehad als ik. Bij hen was er ook iemand aan boord die erop moest letten dat ze er niet vandoor zouden gaan. Zij visten in de Oostzee en ik viste bij Helgoland. Jongens als Jaap Schaap en Rooie Leen moesten vaak een stuk verderop. Ik heb ook veertien dagen in de Oostzee gevaren. Dichtbij hoor, niet te ver weg. We gingen vissen, maar er zat niets. Er was een eiland in de buurt waar we een beetje “Kraft durch Freude” genoten daarna weer terugkeerden naar Cuxhaven. Ik sprak inmiddels een goed mondje Duits, hoewel ik sneller Engels heb geleerd in die paar weken dat ik bij het Engelse leger zat.

Op een gegeven moment was er een keer een groot bombardement in Wesermünde. Ik ben er toen met de trein naar toe gegaan, het was ongeveer 60 km vanwaar ik zat. Ik wilde weten hoe het met de rest van de gasten ging, die zaten daar nog. Hun schip was daar op dat moment binnen. Het is gelukkig allemaal goed afgelopen. Als ze binnen waren in Cuxhaven kwamen ze altijd bij mij eten, ik maakte dan pannenkoeken. Drinken deed ik niet, alleen als mijn maten in Cuxhaven er waren en langskwamen. Dan dronk ik een borreltje. Er was voor de rest weinig te doen, er was alleen een klein bioscoopje. Eerst propaganda en dan de lachfilms. M’n kameraden hebben een keer zakken met suiker en meel gestolen van een bootje dat voer tussen Hamburg en Cuxhaven. Vervolgens wisten ze niet waar ze het verstoppen moesten, dus brachten ze het maar bij mij aan boord. Dat was nog best gevaarlijk, het was natuurlijk gewoon stelen en dan ging je koppetje eraf als ze je pakten.

Ik had er verder weinig notie van wat er voor de rest in Europa aan de hand was. Later wel, ik luisterde dan samen met de Duitsers op een groter schip naar de radio. Het was weliswaar grotendeels propaganda, maar we hoorden wel dat de geallieerden steeds dichterbij kwamen.

In de haven zag je in de winter als er ijs lag wel eens Duitse Schnellboten, maar met oorlogsschade gehavende schepen zag je eigenlijk nooit. Ik heb wel een keer duikboot gezien die binnenkwam, maar de meeste oorlogsschepen lagen in de haven van Kiel. We waren daar een keer om de motor na te laten kijken toen er een bombardement was. Wij als een haas de schuilkelders in, vierentwintig trappen af dat weet ik nog goed. Er zaten meer dan tweeduizend mensen in en alles schudde op zijn grondvesten. De Russen uit de fabriek mochten er niet in, die werden tegengehouden bij de ingang. Ons bootje had gelukkig geen schade en op die fabriek was geen bom gevallen. De huizen erom heen stonden allemaal in lichterlaaie. Ik zei nog laten we gaan helpen, maar de schipper hield me tegen. We gaan er gauw vandoor naar Cuxhaven zei hij.

Het bombardement op Helgoland op 18 april 1945 kan ik me ook nog goed herinneren, meer dan twaalfhonderd vliegtuigen van de RAF hebben het hele eiland met de grond gelijk gemaakt. Het eiland was hierdoor onbewoonbaar geworden en de bevolking moest worden geëvacueerd. De geallieerden kwamen steeds dichterbij en het stond er barstensvol met Duitse kanonnen. Als die ’s nachts afgingen was het me toch een herrie! Het was een machtig gezicht. Ik was niet bang, de schipper was banger dan ik. Ik moet zeggen; al die tijd in Duitsland heb ik geen dag angst gehad.

Ik heb daar tweeëneenhalf jaar gevaren, dat was in 1942. Naast stuurman was ik, net als in dienst, ook weer kok. Aan boord hadden we een kleine kachel en daar kookte ik dan op. Ik had nog wel contact met thuis, ik schreef brieven maar er was censuur. Dat wist ik toen niet, maar dat hoorde ik pas achteraf van mijn ouders. Als ik schreef dat er in de buurt bommen gevallen waren werd dat eruit gehaald. Mijn ouders waren wel ongerust. Ik had inmiddels thuis in Katwijk ook een vriendinnetje, daar ben ik drie jaar na de oorlog mee getrouwd.

Tussendoor ben ik zelfs een keer thuis geweest. Het was winter en we lagen aan de wal. Ik zei tegen de schipper dat ik naar huis wilde. Hij gaf me toen een emmer vis mee en stuurde me naar het politiebureau. “Niks zeggen, alleen vragen of je naar huis mag en geef die emmer vis af”. Ik hoefde ook niets te zeggen en kreeg meteen een stempel dat ik mocht reizen. Toen ben ik met de trein naar huis gegaan, dat heeft wel een week geduurd. Onderweg werden we dikwijls aangevallen en gebombardeerd en dan moesten we stoppen en snel de trein uit, dan bleef je weer een nachtje ergens staan. Inmiddels was het schip van mijn vader en zijn broers gevorderd en naar Duitsland afgevoerd. Er waren plannen voor de oorlog om een nieuw schip te kopen maar dat is er nooit meer van gekomen. Je was het kwijt en je kreeg er geen gulden compensatie voor. Ze zaten dus in een klap ook zonder werk. Mijn vader is toen netten gaan breien en allerlei andere klusjes gaan doen om aan geld te komen. Thuis waren ze stomverbaasd dat ik weer op de stoep stond. Maar ik ben niet lang gebleven, ik had het in Duitsland veel beter. Hier was geen voedsel een geen werk. Ook kon ik goed opschieten met de Duitsers daar waar ik zat, het waren hele andere mensen dan al die nazi fanatiekelingen in de rest van Duitsland.

De oorlog was afgelopen, eerst hebben we nog een poosje in Duitsland gezeten, daarna zijn we naar huis gaan lopen. Op een geven moment kwamen we een Hollandse officier uit het Engelse leger tegen die vroeg wie er in dienst gezeten had. Ik zei ik, en hij vroeg: “Wie wil er als hulp met mij mee?” Ik ben toen met het hem meegegaan om allerlei klusjes te doen. Goed wassen, bed opmaken en laarzen poetsen; dat soort zaken. Dat heb ik iets van acht weken gedaan. Ik mocht niet meer terug in dienst omdat ik vrijwillig naar Duitsland was gegaan. Op een gegeven moment ging het Nederlandse leger naar Indië en toen mocht ik opeens wel in dienst, maar ik heb toen maar snel bedankt. Dat leek me niks. Boos dat ‘ie was! Toen ben ik weggestuurd, kon m’n kleding inleveren en ging met een vrachtwagen terug naar Nederland. In Groningen werd ik er uit gehaald en in een kamp gebracht, in een grote barak werd je ontkleed en ingespoten tegen luizen. Ook moest je je armen omhoog doen of je niet bij de SS had gezeten.

Ik heb er nog veel last van gehad toen ik terugkwam in Katwijk. De heren in Den Haag waren kwaad, je bent naar Duitsland geweest! En dat werd je niet in dank afgenomen. Terug in Katwijk moest ik op het politie bureau komen. De agent liet me toen een knoop van een marine uniform zien en zei: “Wat is dat er voor een?” Ik zei dat is van de Kriegsmarine, waarop hij zei: “Hoe weet je dat ?”. Ik zei toen: joh die liepen de hele dag om me heen. Hij wilde natuurlijk weten of ik er ook bij gezeten had. Maar verder dan het brengen van een mand vis naar ze ben ik niet gekomen. Later wilde ik bij de politie, maar dat kon ook niet. Mijn broer was agent in Vlaardingen en zei da’s een mooi baantje voor je. Ik heb toen geschreven, maar het ging mooi niet door omdat ik oorlogsvrijwilliger was geweest.

Ik heb de schipper na de oorlog jammer genoeg nooit meer gezien, ik ben nog wel terug geweest om hem op te zoeken maar heb hem niet meer gevonden. Op een gegeven moment ben ik voor Ouwehand gaan werken en moesten we naar Lubeck in Duitsland. Toen ik daar was ben ik naar Cuxhaven gereden om hem op te zoeken. Overal gekeken en gevraagd maar niemand wist wat. Dat was ongeveer 25 jaar na de oorlog. Ik heb er wel spijt van dat ik niet eerder naar hem op zoek ben gegaan. Maar dat was allemaal niet zo makkelijk, je moest een visum hebben. Mijn Nederlandse dienstmaten heb ik na de oorlog nog wel gezien maar niet op reünies of zo. Die waren er wel maar daar ben ik nooit naar toe geweest, dat ging allemaal uit van mijn oude eenheid.

Gerrit van Duijn en zijn bruid op hun trouwdag.

Gerrit van Duijn en zijn bruid op hun trouwdag. G. van Duijn

De rest van ons gezin is de oorlog gelukkig ook goed doorgekomen. Ik was dus inmiddels getrouwd. Maar de woningnood was hoog in Katwijk dus we hebben de eerste negen jaar ingewoond bij mijn schoonouders in de EA Borgerstraat nr. 4 want een huis kregen we simpelweg niet. Je moest eerst twee kinderen hebben voor dat je in aanmerking kwam voor een woning. We hadden boven een kamertje van twee bij drie en beneden hadden we ook zoiets. Daar was een lange gang en daar hebben we toen een schot in gemaakt dan hadden we toch iets van een woonkamer. Het was niet groot. Varen mocht ik niet meer van mijn vrouw, dat had ze liever niet. Dat vond ik heel erg, ik miste het vrije leven op zee. Ik ben toen bij de Ruijter gaan werken, die sloopte de oude kelders van de huizen op de Boulevard die door de Duitsers afgebroken waren. Ik bikte dan de stenen af en maakte de grond schoon want er werden nieuwe huizen gebouwd. De stenen die eruit kwamen werden gestort langs het kanaal bij de rooie buurt. Het was gevaarlijk werk, er viel nog wel eens wat naar beneden.

Later ben ik als monteur bij Arie Ouwehand gaan werken en toen zei iemand tegen me dat ik een huis in Scheveningen kon krijgen, ook kon ik daar chef worden bij een ander bedrijf. Ik ben toen naar Arie Ouwehand gegaan met de mededeling dat ik ontslag nam. Toen stuurde hij me de andere dag meteen naar het raadhuis naar Van Leeuwen, die was daar ambtenaar, en ik kreeg meteen een huis. Het was in de Koestal die waren ze toen nog aan het bouwen, en zo kregen we een splinternieuw huis. Ik heb het altijd goed naar m’n zin gehad bij Ouwehand. Het was hard werken en vaak lange dagen maken in het hoogseizoen, maar ik heb er een geweldige tijd gehad.

Tinus moet verdwijnen Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook