Terug

De crash van Eric Ditmarsch

Het is 13 februari 1945. Officier vlieger Eric Ditmarsch en diens Leader, kapitein L.M. Meijers, zijn in hun MK XVI.E serie Spitfires op een gewapende verkenningsvlucht boven bezet Nederland. Om 09:15 zijn ze samen met tien andere Spitfires in secties van twee vertrokken van vliegbasis Woensdrecht. Beide heren hebben de opdracht gekregen op zoek te gaan naar willekeurige Duitse doelwitten.

Er wordt direct koers gezet naar zee en langs de kust vliegen ze naar Den Haag. Bij Den Haag aangekomen gaan de Spitfires evenwijdig aan de kust boven land vliegen. Ter hoogte van Valkenburg worden ze door FLAK beschoten, waarbij Meijers meteen omhoog gaat om de luchtdoelgranaten te ontwijken, en Ditmarsch landinwaarts afwendt. Inmiddels bevinden Meyers en diens wingman Ditmarsch zich boven de Rijksweg 4, de huidige A44, en vliegen richting Amsterdam. Deze drukke weg tussen Amsterdam en Den Haag is bij geallieerde vliegers met name populair omdat de gelegenheid tot een fraai stukje prijsschieten op een Duits konvooi zich daar regelmatig voordoet. Het is voor beide heren dan ook geen onbekende route.

Het noodlot slaat onverbiddelijk toe

Bij het zien van een Duits voertuig ter hoogte van de Elsgeester polder aarzelt Meijers geen moment en zet de aanval in. Met gierende motor duikt de Spitfire naar beneden. Dan gaat het plotseling vreselijk mis. Op het moment dat Meijers als eerste het vuur opent maakt Ditmarsch een dusdanig onverwachte manoeuvre dat hij zich plotseling in diens vuurlijn bevindt. De staart van Ditmarsch’s toestel wordt er finaal afgeschoten en belandt aan de zuid-oostelijke kant van de A44 ter hoogte van de Vinkenweg. Ook breekt een van de vleugels van het toestel af en komt naast de schuur van de familie de Ruiter aan de overkant van de weg terecht. Hierdoor is de Spitfire volledig onbestuurbaar geworden. Vanwege de geringe hoogte is Ditmarsch niet meer in staat om zich door middel van zijn parachute in veiligheid te stellen waarna het toestel zich met grote snelheid ter hoogte van het Groene kerkje bij Oegstgeest in een slootkant boort. De klap van de inslag is zo groot dat de zware 12 cylindermotor van de Spitfire finaal loskomt van de romp, 30 meter door het weiland rolt en pas in de daarop volgende sloot tot stilstand komt. Meijers vliegt nog enkele malen over het wrak en zet daarna koers naar het westen. Het is kwart voor tien op dinsdagochtend 13 februari 1945.

De crash wordt vanaf de grond gadegeslagen door Martin de Jong. Hij is met zijn vader, die een kruidenierszaak heeft, onderweg naar het hoofddistributiekantoor in Oegstgeest om zijn distributiebonnen in te gaan leveren. Martin is meegegaan op de transportfiets voor het geval ze alvast wat levensmiddelen mee kunnen krijgen. Halverwege de Vaart komt zijn vader erachter dat hij de opgeplakte bonnen vergeten is en stuurt zijn zoon terug naar huis om ze op te halen. Op de terugweg, ter hoogte van het Groene kerkje, ziet Martin plots blauwe vlammetjes en rookwolkjes op het wegdek. Het duurt even voordat hij in de gaten heeft dat twee jachtvliegtuigen op een Duits voertuig schieten. Langs de weg zijn overal schuttersputjes gegraven, maar hij ziet er op dat moment zo snel geen één. Hij kruipt daarom maar snel achter een versperringspaal, die ingegraven zijn om te voorkomen dat er zweefvliegtuigen kunnen landen op de snelweg. Steeds als er weer een salvo uit de boordwapens komt kruipt hij om de paal heen te einde dekking te zoeken. Plotseling vliegt er een stuk vleugel van één van de Spitfires af en komt zijn kant op. Met een klap vliegt het tegen de paal aan waar hij achter zit. Het vliegtuig zelf stort even verder in de polder neer. Het stuk aluminium dat hem geraakt had heeft drie ribben bij hem gekneusd of gebroken, dat is niet precies duidelijk. Hij wordt vervolgens door een voorbijganger op de bagagedrager van zijn eigen fiets naar huis gebracht, waarna hij drie weken aan bed is gekluisterd.

Er kwamen twee vliegtuigen van verschillende kanten, op een gegeven moment vlogen er brokken van een van de toestellen af, het vliegtuig stortte neer. Ik dacht dat zij elkaar geraakt hadden, want er was geen mof in de lucht, en er werd ook niet op de toestellen geschoten

Martin de Jong

Ooggetuige van de crash

Het 322 Sqdn te Biggin Hill in december 1944. Als zevende van links in de middelste rij staat Flight Officer Eric Ditmarsch. NIMH

In dienst bij de RAF

Eric Ditmarsch werd geboren op 27 november 1922 in het toenmalig Nederlands Indië. Om precies te zijn in Semarang, een stad aan de noordkust van het eiland Java, Indonesië. Het is de hoofdstad van de provincie Midden-Java (Jawa Tengah). Bij het uitbreken van de oorlog was hij 17 jaar en meldde hij zich bij de marine. Na zijn opleiding tot jachtvlieger werd hij op 11 november 1944 ingedeeld bij het Dutch 322 squadron. Als Officier Vlieger der 3e klasse van de Marine Luchtvaart Dienst is hij gedetacheerd bij de RAF. Zijn personeelsnummer was 172037. Uiteindelijk zal hij bij het 322 Squadron 9 operationele vluchten van een uur uitvoeren. Hij werd door zijn collega’s beschouwd als een voorbeeldige nieuwkomer en een populair lid van het squadron.

Lourens Marinus Meijers werd geboren op 17 januari 1920 in Groningen. Op 14 mei 1940 verliet hij zijn ouderlijk huis en fietste naar Scheveningen waar hij aan boord van de N.Z.H.R.M reddingsboot de Zeemanshoop ging en naar Engeland voer. Op 19 februari 1941 nam hij dienst bij de RAF en brengt het grootste gedeelte van dat jaar door in training. In november 1941 behaalde hij zijn vliegbrevet. In januari 1942 werd hij als Flight Sergeant Meijers geplaatst bij het 602 RAF Redhill, Surrey. Bij het 602 kreeg hij ook zijn bijnaam, Lucky Lou Meijers, omdat hij op de terugweg van een missie boven bezet Frankrijk ternauwernood wist te ontsnappen aan een formatie Duitse Focke Wulfs. In juni ’42 wordt hij naar de instructeursopleiding in RAF Annan, Dumfrieshire overgeplaatst. Doel hiervan is de training van de Nederlandse piloten te verbeteren. Van december ’42 tot januari ’43 ontving hij zijn instructeurstraining in Sutton Bridge, Lincolnshire. Na de oprichting van het 322 Dutch squadron vloog hij hierbij van 12 juni 1943 tot en met 29 april 1945. In totaal heeft hij 149 operaties gevlogen, met in totaal 188 operationele vlieguren. Voor het neerhalen van een V1 ontvangt hij het Vliegerskruis. Hij zal tot 1948 verbonden blijven aan de luchtmacht.

De oprichting van het 322 (Dutch) Squadron.

Het 322 (Dutch) Squadron RAF is het oudste operationele squadron van de Nederlandse Koninklijke Luchtmacht. Het werd op 12 juni 1943 opgericht en was het eerste squadron van de RAF dat geheel uit Nederlandse militairen bestond. Prins Bernhard kreeg in Hatfield op 23 september 1940 in een Tiger Moth zijn eerste vliegles. De prins haalde zijn brevet op 9 mei 1941. Hij werd daarna de grote drijfveer achter de oprichting van het Dutch Squadron binnen de RAF. Een voorstel tot de oprichting hiervan werd in maart 1942 ingediend bij het Britse Ministerie van Luchtvaart. De eerste militairen kwamen van het No 167 Squadron RAF van de Woodvale basis. Daarna werden veel Engelandvaarders in het squadron opgenomen.

Polly the Parrot

Pilot Officer N.W. Sluyter neemt op 31 juli 1943 een grijze roodstaartpapegaai mee naar vliegbasis Woodvale waar het Dutch 322 SQ op dat moment gestationeerd is. Hij heeft de vogel in Londen aangeschaft als mascotte. Het idee wordt geboren om de vogel in het embleem te verwerken. De embleemspreuk van het Dutch 322 SQ luidt aanvankelijk “Niet praten maar schieten”. In opdracht van het ministerie van Oorlog moet dat echter worden vervangen door “Niet praten maar doen”. Op 4 maart 1945 worden het embleem en de spreuk goedgekeurd door Koning George VI. De papegaai Polly Grey zal als mascotte een belangrijke rol gaan spelen in de historie van het squadron. Polly maakt het nodige mee tijdens de Engelse periode. De papagaai leert jenever drinken en gaat kopje onder in een vijver met een enigszins beschonken vlieger. Ook weet hij een keer te ontsnappen, maar na het uitloven van een geldelijke beloning komt de mascotte toch weer terug. Als het squadron begin januari 1945 in Nederland wordt gestationeerd, blijft Polly achter omdat er in Engeland beter voor hem kan worden gezorgd.

Terug in Holland

Het 322 Dutch Squadron is van 1 november ’44 tot 3 januari ‘45 gestationeerd op Biggin Hill ten zuid oosten van Londen. Bij de overplaatsing naar Woensdrecht zet Ditmarsch voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog voet op Hollandse bodem. Nadat het zuiden van Nederland bevrijd was en vliegbasis Woensdrecht niet meer door de Duitsers werd gebruikt als Luftwaffe-basis, werd het 322 Dutch Squadron met een aantal Spitfire MkXVI jachtbommenwerpers op 3 januari 1945 naar Woensdrecht gestuurd. Het zou het vliegveld worden waar de eerste Nederlandse vliegers landden. Het squadron was op dat moment onder het bevel van S.Ldr H. L. O’Neill.

Een deel van de propeller van de Spitfire is in het bezit van de Historische Kring Voorhout.

Een deel van de propeller van de Spitfire is in het bezit van de Historische Kring Voorhout. E. Wolthaus

Wat er over is van de Spitfire IRK 892 ligt met het levenloze lichaam van Eric Ditmarsch in het talud van een grenssloot in de polder tussen Oegstgeest en Voorhout. Duitse troepen zijn snel ter plaatse om zich op de hoogte te stellen van de situatie en het weiland waar het toestel is neergekomen af te zetten. De crash site krijgt bewaking toegewezen om nieuwsgierigen op een afstand te houden. De twee soldaten belast met de bewaking worden ingekwartierd in het huis van de familie de Ruiter aan het eind van de Vinkenweg te Rijnsburg. Als zij enkele dagen later weer vertrekken nemen wordt de portomonee met huishoudgeld van het gezin de Ruiter door hen meegenomen. Al snel zijn de Duitsers er achter dat de piloot van de Spitfire geen Engelsman is, maar een Hollander in geallieerde dienst. Dit wekt de woede van de Ortskommandant, die het bevel geeft om het lichaam van Ditmarsch in het toestel te laten zitten als waarschuwing naar de inwoners van de omliggende dorpen. Echter de pastoor van de RK St. Bartholomeuskerk in Voorhout trekt zich het lot van Ditmarsch aan en begeeft zich dagelijks naar het kantoor van de Ortskommandant om te pleiten voor de gelegenheid om hem te mogen begraven. Na enige dagen krijgt men toestemming om het lichaam uit het vliegtuig te halen. Na de oorlog lopen echter de meningen over dit relaas uiteen. Er wordt ook verklaard dat men Ditmarsch in de eerste instantie niet kon vinden omdat hij verderop aan de Voorhoutse kant half in de sloot lag. Dit zou dan ook de reden zijn waarom Voorhout werd belast met de begrafenis en zou het feit verklaren dat de teraardebestelling pas vijf dagen later op 17 februari plaats zou vinden.

Bert Wolthaus laat de crashsite zien. D. Hoek

De begrafenis

Timmerman Broeders uit Noordwijk krijgt de opdracht een kist te maken en Jan van Steijn, de eigenaar van het weiland, brengt het lichaam van Ditmarsch met paard en wagen naar Voorhout. Daar stelt men vast dat de piloot een laars mist met een voet of een deel van zijn been. Deze wordt later gevonden door A. Post uit Oegstgeest. Hij en enkele van zijn vrienden brengen de lugubere vondst ook naar Voorhout. Verder droeg Ditmarsch een zijden pilotensjaal met de kaart van Nederland erop gedrukt. Hij wordt in Voorhout bij de kerk opgebaard  en vervolgens op 17 februari begraven naast het Groene kerkje in Oegstgeest. De kist, haastig in elkaar gezet met oorlogslijm, ging tijdens het transport kapot. Tot op de dag van vandaag rust hij daar nog steeds op nummer 406D. J.W.F Ditmarsch woonachtig in het Gelderse Elburg werd als naaste familie pas op 29 augustus 1946 door het Ministerie van Marine officïeel op de hoogte gesteld van zijn overlijden.

De Duitsers hebben geen haast met het opruimen van het vliegtuig. In de eindfase van de oorlog heeft het defaitisme bij de Duitsers inmiddels zover toegeslagen dat men het wrak grotendeels laat voor wat het is. De boordwapens worden ontmanteld en het wrak wordt heuse bezienswaardigheid. De plaatselijke jeugd gebruikt de motor in de sloot om van de ene naar de andere kant van het weiland te springen en telt de kogelgaten in de staart van de Spitfire, het zijn er welgeteld 108. Een deel van de propeller van de Spitfire komt later in het bezit van Joop Warmenhoven. Na zijn overlijden wordt deze aan de collectie van de Historische Kring Voorhout toegevoegd.

De Duitsers waren mateloos geïnteresseerd in Engelse techniek. Duitse wapens waren nauwkeuriger en de Engelse waren aanzienlijk eenvoudiger. Het moest allemaal snel in elkaar gezet kunnen worden. Men deed er ook niet langer dan 14 dagen over om een Spitfire te assembleren. Het nadeel van een nauwkeurig wapen is dan ook dat het sneller weigert. De eisen die de Engelsen aan hun wapens stelden waren aanzienlijk lager. Het belangrijkste was dat het betrouwbaar, maar daarnaast ook nog goedkoop moest zijn. Goed voorbeeld hiervan is de Stengun, niet meer dan een pijp met een metalen lus als handgreep. De Duitsers waren soms zwaar verontwaardigd over de slordige manier waarop de Engelse wapens in elkaar zaten.

Als het donker wordt, zoekt men heimelijk met harken de omliggende sloten af naar munitie. De kogels werden vervolgens ontdaan van het kruit en na de oorlog als souvenir aan verzamelaars verkocht. Ook belandde er na de oorlog nog wel iets op de schoorsteenmantel. Bij de familie Kromhout op de Vinkenweg stonden er twee grote granaten met een rode kop te pronken boven de kachel. Iedere week werden deze uitgebreid door de vouw des huizes gepoetst tot het koper glom als een spiegel. Toen het verhaal in het dorp ging dat er bij Kromhout zulke grote granaten in huis stonden besloot veldwachter van Zanten hierop polshoogte te gaan nemen, waarbij hij tot zijn ontsteltenis moest constateren dat beide projectielen hun lading nog bevatten en op scherp stonden. Beide granaten werden aan iedere zijde van zijn fietstas gedaan en afgevoerd.

De uiteindelijke berging van het toestel

Na verloop van tijd worden de vleugel en de resten van de staart en romp opgeruimd maar de motor blijft liggen in de sloot. Tot diep in de jaren 50 zal het duren voordat deze wordt weggehaald. De oorlog in Korea is inmiddels in volle gang en de schrootprijs heeft een ongekende hoogte bereikt. Een slimme Rijnsburger komt op het idee om een tractor te lenen en de eigenaar van het weiland te vragen of hij de motor weg mag halen. De boer heeft schoon genoeg van de motor in zijn sloot en geeft toestemming. Zo gezegd, zo gedaan, de motor wordt uit de sloot getrokken en als schroot aangeboden en brengt 1200 gulden op. Eens gegeven blijft gegeven dus de boer kan naar zijn deel van het geld fluiten en is woedend. Het staartwiel van de Ditmarsch’s Spitfire wordt door vader Gerrit de Ruiter van het toestel gehaald en zal nog jaren lang dienst doen als wiel voor zijn kruiwagen. Tot ver in de jaren 60 kan men op de plek van de crash nog stukjes aluminium van het toestel vinden. En bij een strenge winter zijn er zelfs oliesporen in het ijs te zien.

Graf nr. 14 in Oegstgeest

Graf nr. 14, De laatste rustplaats van Eric Ditmarsch.

Graf nr. 14, De laatste rustplaats van Eric Ditmarsch. E. Wolthaus

Na de oorlog duikt het verhaal op dat er op de 17e februari 1944, de dag dat Ditmarsch werd begraven er een Piper Cub verkenningsvliegtuigje op de A44 landde om een krans voor hem af te leveren. Dit verhaal werd door meerdere mensen onderschreven maar kon nooit bevestigd worden. Eric Ditmarsch ligt vandaag de dag nog steeds begraven in graf nummer 14 naast het Groene kerkje in Oegstgeest. De steen is inmiddels vernieuwd en het beheer ligt in de handen van de Oorlogsgravenstichting. Hij en de 16 andere geallieerde vliegers die in Oegstgeest begraven liggen zijn na al die jaren niet vergeten. Al sinds de oorlog worden zij daar jaarlijks op 11 november herdacht. De herdenking vindt op die dag plaats omdat de landen van het Britse Gemenebest elk jaar op of rond 11 november hun oorlogsslachtoffers herdenken. Ook in Oegstgeest wordt dan respect betoond voor de mannen die daar op jeugdige leeftijd hun leven gaven voor onze vrijheid.

De toedracht blijft onbekend

Wat de werkelijke reden van het drama is geweest zal tot op de dag van vandaag een raadsel blijven. Wellicht was het het slechte weer? Op de 13e februari 1944 was het een grijze dag met veel wind. Er was geen sprake van vorst en de weilanden waren groen. Kapitein Meijers was meer dan een ervaren vlieger, één van de eerste Hollanders die in Engeland werd opgeleid. Maakte overmoedigheid zich van Eric Ditmarsch meester of was het louter onoplettendheid? We zullen het nooit weten. Ltn. Meijers heeft altijd beweerd geen schot gelost te hebben en dat Ditmarsch door eigen toedoen is gecrashed.

Ik ga hoger vliegen, Ditmarsch duikt opzij landinwaarts. Hij crasht iets ten noorden van Oegstgeest, wat er precies gebeurd is weet ik niet want ik heb daar in het geheel niet geschoten, ik ben daarna weg gedraaid en richting Utrecht gevlogen, en een aanval gedaan op een FLAK trein, maar het vuur was te hevig, ik ben om 10.30 geland. De crash zal tegen 10.00 uur geweest zijn.

F/Lt. L.M. Meijers

Dagboekfragment

Met dank aan Dhr. D. Breedijk en de Historische Kring Voorhout.

Junkers Ju52, de noodlandingen op het strand Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook