Terug

Roggebrood in Hoogeveen

Piet Plug was nog maar een jonge jongen in de oorlogsjaren. Hij kwam uit het gezin van visserman Jan “de Noortukker”. Na dolle dinsdag moesten alle schepen verdwijnen uit de haven van Scheveningen. Zo ook de KW12. Vanaf die tijd werd de kotter waar zijn vader op voer ingezet voor de voedselvoorziening van Den Haag. Familieleden voeren al met hun Katwijkse binnenschuiten voor de voedselvoorziening van de grote steden, maar deze voeren op gasolie wat inmiddels zeer schaars was geworden. De motor van de KW12 liep op zware stookolie en dat was nog wel verkrijgbaar. De kotter werd alras ingezet als sleepboot voor de binnenschuiten. Dat hield in dat de boten naar allerhande locaties moesten varen om daar voedsel op te halen voor de distributie in Den Haag en Rotterdam. Piet, toen 16 jaar oud, ging ook weleens mee op deze tochten. Een verhaal over een Katwijkse jongen en een scheepje met een rijke oorlogshistorie.

Zoals gezegd werd de KW12 in 1944 ingezet voor de voedselvoorziening van Den Haag. Dit was zo geregeld met de Wehrmacht, zodat er toch nog gevaren kon worden met het scheepje. Het was een oude houten viskotter, een echt pittoresk scheepje dat normaal in de uitwatering van Katwijk gelegen was. De eigenaar was opa Gijs van den Oever, ook wel bekend als Gijs van Juite. In de meidagen zijn bij opoe Gerrie en opa Gijs van Juite nog Joden geweest. Die wilden een hoop geld betalen om naar Engeland overgezet te worden. Dat ging mooi niet door, want dat was veel te gevaarlijk. Nee, de KW12 bleef in Nederland. De eerste tocht ging naar de Haarlemmermeer, alwaar het scheepje afgeladen werd met aardappelen, groenten en zout. Dat zout werd zo hier en daar op minder nette wijze verkregen, maar het was enorm handig om de goederen in te maken. De boeren hadden vaak een grote berg zout liggen voor dit doel.

De “Lex”

Piets oom, Krijn Haasnoot Czn., had een binnenvaartschuit, de “Lex”. Dit was een huurschip, want zijn eigen schuit, de “Cornelis”, was gevorderd door de Duitsers. Het bedrijf zat in Rotterdam en toen iedereen die niet in Katwijk werkte geëvacueerd moest worden, verhuisde het gezin van zijn oom naar Rotterdam. Niet veel later zou de schuit in beslag genomen worden. De motor werd snel onklaar gemaakt, tot ongenoegen van de bezetters. Deze stonden al gauw aan de deur om verhaal te halen. De “Schiffsmann” echter, had zich verstopt op zolder. Zijn vrouw Lee maakte wat stampij en de Duitsers dropen af. Niet veel later ging ze naar de schuit om nog enkele bezittingen op te halen. Een mof hield haar tegen. Ze heeft ‘m in het plat Katwijks verteld dat hij moest oplazeren. De Duitser lachte haar uit en zei dat ze weg moest gaan.

Ze zou gezegd hebben: “Als straks de Tommy’s komen dan lach jij niet meer!”, waarop de Duitser antwoordde: “Der Tommy der kommt nicht. Der Ruß! Der kommt! Der ist gefährlich!”.

Piet Plug

Naar Hoogeveen

Het was eind ’44 en Piet, geboren in 1928 en toen zo’n 16 jaar oud, moest meevaren naar Hoogeveen om daar voedsel op te laden. Piets moeder was ziek geworden en zijn vader moest daarom bij haar blijven in het ziekenhuis. Vanuit Katwijk vertrokken de KW12 en de “Lex” richting Hoogeveen. Een flinke reis die hen via Amsterdam en over de Zuiderzee naar hun bestemming zou voeren. Een markante gebeurtenis die Piet zich nog voor de geest kan halen over deze reis had plaats bij de Oranjesluizen in Amsterdam. Ze lagen daar op een nacht te wachten. Er mocht geen mens aan dek, want het was nacht. Iedereen lag op bed en Piet sliep in het “bunnetje” benedendeks. De bun was de plek waar normaal de vis opgeslagen werd. Voorin waren twee kooitjes, waar Gijs van den Oever en ome Thijs van der Linden sliepen. Naast de kotter lag een andere schuit. Vanuit de schuit klonken kerstliederen, het was slechts enkele weken voor kerst. In de schuit zaten Joden en andere gevangenen die gedeporteerd moesten worden. Voor zover Piet zich kan herinneren werden ze vanuit Amsterdam naar Lemmer gebracht. Waar ze vervolgens heen gingen wist hij niet meer.

In het donker en in konvooi met andere schepen werd de reis over het IJsselmeer voortgezet. Dit was veiliger, omdat geallieerde vliegtuigen de schepen dikwijls aanvielen. Ook kon het vreselijk spoken op het IJsselmeer. Het was toen nog een onmetelijk stuk water, want de polders en de randmeren waren er toentertijd nog niet. Alleen de Noordoostpolder was er al. De motor van de KW12 liep op een soort ruwe stookolie, waardoor de uitlaat constant een dikke wolk rook en vonken uitbraakte. Natuurlijk kwam hier veel commentaar op van de andere schippers. De vonken zouden immers vanuit een vliegtuig goed te zien zijn, wat gevaar opleverde voor de anderen. Het was echter niet anders, want brandstof was in 1944 zeer schaars geworden. Nabij het Zwarte Water verlieten de twee schepen het konvooi, alwaar ze overnachtten op een eilandje. De volgende dag was het weer vroeg uit te veren en voeren ze via het Zwarte Water naar Zwartsluis. De “Lex” en de KW12 waren nog met lijnen aan elkaar gesnoerd na de oversteek van de binnenzee. Vanuit Zwartsluis werd de koers richting Hoogeveen gezet. Bij Meppel werd de spoorbrug gepasseerd. Niet veel later, ergens tussen de spoorbrug en Hoogeveen, stopte de motor van de KW12 ermee. De motor van de “Lex” draaide sowieso al niet, omdat daar geen brandstof meer voor te krijgen was. Deze lag met een sleeptouw aan de kotter vast. Er zat niets anders op dan de schepen de resterende kilometers te jagen. Dat wil zeggen dat de mannen van de boot af moesten en vanaf de wal de schepen voort moesten trekken met touwen. Zo gezegd, zo gedaan.

Een roggebroodje

De winter begon in te vallen. ’s Ochtends lag er een dun laagje ijs op het kanaal. De motor liep nog steeds niet. Ome Krijn vroeg aan Piet of hij in Hoogeveen een roggebrood wilde laten bakken. Dat kon in die tijd nog. Je nam gewoon een zak rogge mee en liet daar bij een bakkertje een brood van maken. Onderweg hadden ze wat rogge gekregen van een boer. Toen hij bij de bakker aankwam vertelde hij hem dat hij daar niet aan kon beginnen, maar dat er verderop aan de Hoofdstraat nog een bakkerij zat die dat nog wel deed. Op naar de Hoofdstraat dus. Dat was nog een behoorlijk eind lopen herinnert Piet zich.

Piet stond in het bakkerijtje op zijn broodje te wachten toen er plotseling 4 à 5 Hollandse SS’ers binnenvielen. Er zouden Joden ondergedoken zitten in de bakkerij. De bakker en zijn twee zonen werden ingerekend en Piet moest ook meekomen en zijn papieren overhandigen. De verklaring dat hij daar alleen een brood kwam halen mocht niet baten. Hij moest en zou meekomen. Daar stond hij dan, als jongetje van 16 jaar. Van de bakker kreeg hij een fiets zonder remmen en zonder licht. Het was inmiddels al donker aan het worden. Ze moesten met de fiets naar Hollandscheveld, waar een compagnie van de Divisie Landstorm Nederland gelegerd was. Via de Noordscheschutsluis fietsten zij naar de Openbare School in Hollandscheveld alwaar de compagnie gelegerd was. Piet riep naar de jongens dat ze ‘m wel tegen moesten houden als hij moest remmen. Hij kon nog niet heel goed fietsen, omdat hij dat in de oorlog pas had geleerd. Bij de wachtpost voor de school moesten ze uiteraard stoppen. Het valt te raden dat dat in Piets geval niet ging lukken. Hij reed vol op een wachthoudende militair in! Uiteraard viel Piet niets te verwijten, want de jongens hadden hem niet tegengehouden. Na een flinke scheldkanonnade van de bewuste militair werden de vier naar binnen gebracht.

De beul van Hollandscheveld

In Hollandscheveld was een rekruten compagnie Hollandse SS van rond de 80 man met ongeveer 12 onderofficieren en drie officieren gelegerd. De SS’ers waren gevestigd in twee scholen die vlak bij elkaar lagen. De drie officieren die er de leiding hadden waren drie beruchte oorlogsmisdadigers: Auke Pattist, ook wel bekend geworden als “de beul van Drenthe”, Dirk Hoogendam en Johannes Marinus van Oort. Ze waren op 22 november 1944 aangekomen in het dorpje en hebben aldaar de bevolking geterroriseerd. Zeker 200 mensen zijn gedurende de oorlogsjaren verhoord, bedreigd en mishandeld. Martelingen waren daarbij niet ongewoon. Sommigen van hen zijn nooit teruggekomen.

Piet werd samen met de bakker en zijn zoons naar een klaslokaal gebracht. Hier moesten zij wachten tot zij berecht zouden worden. In zijn zak had hij het roggebroodje. Goede raad is duur. “Neem nou dat roggebroodje mee, je weet nooit wanneer je weer wat te eten krijgt” had de bakkersvrouw tegen hem gezegd. Ze moesten slapen op een harde, koude houten vloer. Piet gebruikte het roggebroodje als kussen en kon zo zijdelings een stuk afbreken om op te eten.

Onverwachte ontmoeting

Op een gegeven moment kwam er een SS’er naar hem toe. Het bleek een Katwijker te zijn, die in de wandelgangen gehoord had dat er een Katwijkse knul opgesloten zou zitten in het schooltje. Het was K., die later nog een water- en vuurwinkeltje heeft gehad. Hij was een paar jaar ouder dan Piet en ze kenden elkaar wel van het dorp. K. gaf hem een deken om hem tegen de koude te beschermen. Gebouwen hadden in die tijd nog geen centrale verwarming. De dag erop kwam K. hem een kom snert brengen. Deze was zuur, maar dat maakte Piet niets uit. Het was eten en dat was allang prima. In de dagen die volgde kwam hij regelmatig wat naar hem brengen.

In de vier dagen dat Piet opgesloten zat in het klaslokaal werden er ook nog twee Joden binnengebracht. Ze moesten allerlei rotklusjes opknappen en moesten ook het lokaal schoonmaken. Ze werden vreselijk gepest door de Hollandse SS’ers. Om ze te treiteren moesten ze bijvoorbeeld op een hoge kast klimmen die in het lokaal stond. De één kon de ander er wel op duwen, maar de ander was dan te zwak om hem er op te trekken, tot groot vermaak van de SS’ers. De anderen konden ze niet helpen, dat was simpelweg verboden.

Het vonnis

Na vier dagen moesten Piet en de anderen voor het gerecht verschijnen. Dit vond plaats in een ander schoollokaal. De officieren zaten er. De uitspraken kwamen: de één moest naar Wilhelmshaven en de ander moest gedeporteerd worden. Toen Piet’s vonnis: ”Naar Wilhelmshaven!”. Piet kreeg de schrik van zijn leven. Hij had immers niets misdaan. Huilen hielp echter niet. Het vonnis was geveld. Of toch niet?

De anderen die nog op de schepen zaten waren natuurlijk op zoek gegaan naar Piet. Hij was niet teruggekomen met het brood en men was doodongerust. De zoektocht begon langs de vaart. Hier werd een stuk turf op het ijs aangezien voor het roggebroodje. Zou Piet verdronken zijn? Er werd hulp ingeschakeld van een andere Piet Plug, namelijk die van de meubelzaak in Katwijk. Deze was geëvacueerd en was in Hoogeveen een meubelzaak begonnen. Hij kende zo hier en daar wel wat mensen en kon rondvragen of iemand iets van Piet vernomen had. Uiteindelijk kwam hij erachter dat Piet in de school zat en heeft toen voor hem gepleit bij de SS’ers. Ze voeren immers voor de Wehrmacht in de voedselvoorziening en de jongste matroos kon natuurlijk niet gemist worden! Op zondagochtend werd de jonge Piet vrijgesproken. De weg terug wist hij niet, ze waren er immers in het donker naartoe gefietst, maar dat moest hij zelf maar uitzoeken. Het was bij twaalven, de kerk kwam net uit, maar de mensen waren doodsbang om ook maar iets tegen hem te zeggen. Uiteindelijk heeft een meneer hem de juiste richting in gestuurd. Zo kwam hij uiteindelijk weer bij de KW12 en de “Lex” aan. “Jij hebt wat teweeg gebracht!”, zeiden ze, dolblij dat hij weer terecht was. Voor zover Piet weet is één van de bakkerszoons later overleden in een gevangenis in Friesland. Die was er niet zo genadig van afgekomen!

Op naar huis

De boot was inmiddels ingevroren en dat is zeker tot eind januari ’45 zo gebleven. Er was gelukkig genoeg eten aan boord dat ze van de boeren hadden gekregen om naar Den Haag te brengen. Ome Thijs was motordrijver en ging naar de fabriek aan de overkant om de motor te repareren. De medewerkers van de machinekamer hielpen hem. Aan boord was verder weinig te beleven. Je kon niets doen. Niet teren, niet verven, want het vroor dat het kraakte.

Toen de dooi inzette en de motor gerepareerd was, werd er weer koers gezet richting Zwartsluis. Vandaar werd er in konvooi over de Zuiderzee gevaren. Er stond een flinke bries. Alle schepen waren verbonden met elkaar. Voorop voer een sleepboot. De motor van de KW12 stond stand-by. Er was een verbinding naar de “Lex” en daar achter zat nog een volgeladen binnenschuitje. Op een gegeven moment brak de lijn naar de binnenschuit waardoor deze dwars kwam te liggen. Ome Gijs gooide gauw de boot los van de “Lex” en heeft toen verbinding gemaakt met het schuitje. Toen de kop van de schuit op de wind lag was het gevaar geweken. Zonder hulp waren ze zeker verdronken.

De rest van de tocht verliep normaal. Onderweg werd er nog een schaap gekocht van een boer. Deze werd terug in Katwijk meteen geslacht!

Na de oorlog

Na de oorlog werd Piet gevraagd of hij naar het advocatenkantoor wilde komen dat boven de winkel van Lugthart aan de Badstraat gevestigd was. Oud SS’er K. had gezegd dat hij Piet van de dood had gered daar in Hollandscheveld. Piet moest daarover praten bij die advocaat. K. zat in ’t gevang en dat praatje heeft hem nog strafvermindering opgeleverd.

Na de oorlog moest er natuurlijk zo gauw mogelijk weer gevist worden. De mijnenvelden waren nog maar net geruimd toen de KW12 alweer het ruime sop koos. Omvaren was er niet bij. De mast werd gewoon naar beneden gehaald, en zonder blikken of blozen werden er twintig à vijfentwintig toeschouwers van de sluis gehaald om het scheepje te verzwaren. Zo konden ze precies onder de schutsluis bij Katwijk door varen en voeren ze tussen de mijnenpalen door het zeegat uit. Aldus Piet:

Als dat bootje er nog zou wezen en zou kunnen vertellen, nou!

Piet Plug

De Katwijkse visserij in oorlogstijd Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook