Terug

Engelandvaarder Neil van Duyn

Katwijks engelandvaarder, Amerikaan in hart en nieren

“Waar is de tijd gebleven. Nooit gedacht dat ik ooit nog terug zou komen”. Dat is wat Neil van Duyn tegen ons zei toen wij hem in juni 2012 interviewden in zijn woning te Heinkenszand in Zeeland. Een Katwijkse Engelandvaarder, die na de oorlog een rasechte Amerikaan geworden is. De oorlog had een drang in hem los gemaakt om het verderop te zoeken. Weg van de Duitsers, weg van Nederland.

Neil, of eigenlijk Cornelis, werd op 13 december 1923 geboren te Katwijk in Roest van Limburgstraat 10 als zoon van Jacob van Duyn en Jannetje van Duyn-van der Plas. Cornelis was één van de elf kinderen in huize van Duyn. Grote gezinnen kwamen in die tijd wel vaker voor. Toen Neil 7 jaar oud was kocht vader een stuk grond aan de Meerburgstraat. Dat was de straat die langs het Zeehospitium naar de Drieplassenweg liep en was toentertijd nog duingebied. In 1930 werd daar voor 7000 gulden een nieuw huis gebouwd dat het gezin zou betrekken. Tenminste, in de zomermaanden werd er in het zomerhuis gewoond, want dan kwamen de Duitse badgasten. In dat huis aan de Meerburgstraat groeide Neil op.

Familie van Duyn met in het midden Neil.

Familie van Duyn met in het midden Neil. C. van Duyn

Schooltijd

Op school liep het voor hem allemaal niet zo gladjes. Neil ging naar de Duinschool. Na een ruzie met de meester werd hij daar van afgestuurd. Hij had namelijk een grote magneet meegenomen en zat daar een beetje mee te spelen in de les. Uiteraard pakte de meester de magneet af en stopte hem in zijn lessenaar. Een rotvent, zo noemt Neil hem. In die tijd stond die meester onder de leraren bekend als “De Opium”, omdat hij altijd een pijp stond te roken. Neil wilde zijn magneet natuurlijk terug. Wat er na de les gebeurde laat zich natuurlijk raden. De zus van Neil werd ook van die school gehaald en voortaan gingen ze beiden naar de Openbare School aan de Voorstraat.

Tot zijn dertiende kreeg hij daar les van onderwijzer Tjebbes. Leren was niet voor Neil weggelegd. Niet dat hij er slecht in was, maar omdat hij het simpelweg vertikte. Tjebbes wist er ook geen raad mee en liet het allemaal maar haar beloop. Neil mocht dan bijvoorbeeld om 2 uur naar het postkantoor om zegels voor hem te halen. Hij hoefde dan pas om 4 uur terug te komen. Dan was de dag maar om.

Hij zei tegen me: Als jij van school af gaat, dan koop ik je een pakje Chief Whip. En verdomd ik kwam ‘m een keer tegen op Katwijk. Ik zeg: “hé meester, ik krijg nog een pakje Chief Whip van je!” Die heeft ‘ie toen voor me gekocht. Die zie je nu niet meer die sigaretten, dat waren goeie sigaretten. Die kostten 17 cent voor een pakje van 10.

Neil van Duyn

Na school ging hij varen. Eerst een paar jaar bij Maarten Plug op de KW37 en daarna bij zijn vader, die inmiddels ook een logger gekocht had. Met vier/vijf broers op die logger, dat ging natuurlijk niet goed. Er was ook geen geld in te verdienen. Je verdiende een tientje in de week, daar zat je de hele week voor op zee. Als je drie of vierhonderd gulden in de week besomde was dat rijkdom. Neil was intussen 17 jaren jong toen de oorlog uitbrak. De logger werd door de bezetter gevorderd. Na de oorlog zou de logger pas weer in handen van vader van Duyn komen.

De bezetting begint

Een spannende tijd brak aan. In Katwijk wemelde het van de Duitsers. Op een gegeven moment verrezen er grote bunkers in de duinen, en ook Neil ging daar aan het werk voor Organisation Todt. Er moest immers geld verdiend worden. Hij werkte mee aan de bouw van de bunkers en heeft ook nog onderhoudswerkzaamheden verricht in de Noordduinen. Hij kan zich nog goed herinneren dat er op een dag een enorm kabaal was. Het hield minuten aan. Plots vloog er een heel eskader bommenwerpers over de duinen heen die schuin wegdraaiden richting IJmuiden. Ze waren laag over de Noordzee aan komen vliegen om het luchtdoelgeschut te ontwijken. Het was het meest indrukwekkende geluid dat hij ooit gehoord had, en dat midden op de dag.

De Duitse militairen op de stellingen waren over het algemeen aardige kerels, zo herinnert Neil zich. Jonge jongens, die moesten ook maar gewoon in dienst. Op een goed moment kreeg Neil zelfs het geweer van een van de Duitsers in handen. Die waren op meeuwen aan het schieten en wilden wel eens zien of hij er misschien ook eentje kon raken.

Op strooptocht

Dat de hele bezetting voor de Duitsers geen spel was weet Neil maar al te goed. Hij ging eens op strooptocht met Leen van der Zwan, dat was een inbreker, zo stond ‘ie ook bekend op Katwijk. Hij wist een hele stapel hulzen te liggen. Koper was een hoop geld waard, daar kon je geld mee verdienen. Ze gingen samen de duinen in en kwamen op een gegeven moment zo dicht bij de bunkers dat ze de Duitsers konden horen praten. Neil had meteen spijt dat hij meegegaan was en is er toen snel vandoor gegaan. Leen is later opgepakt en nooit meer teruggekomen.

Een ander voorval vond ook in de duinen plaats. Om 4 uur ’s ochtends gingen Neil en een vriend het duin in, omdat ze wisten waar een aantal strikken stonden. Daar hebben ze twee konijnen gepikt. Tot dusver ging dat prima, ware het niet dat ze een patrouille Duitsers tegenkwamen. Ze moesten meteen mee naar de Ortskommandant. Die zetelde toen nog in een schoolgebouw. Over zijn stoel hing een jas met een revolver. Als ze het nog een keer zouden doen, zouden ze neergeschoten worden. Twee soldaten paradeerden hen door het dorp naar het politiebureau, waar ze naar een reprimande weer naar huis mochten gaan. “Ik kon nooit geen goed doen”, aldus Neil.

Naar zee

Tijdens de oorlog heeft Neil samen met zijn broer ook nog gevaren op de KW107 “Jacoba” bij Maart van Duijn. ’s Nachts zag hij de vliegtuigen in luchtgevechten boven de Noordzee. “Ga even naar de motor kijken”, zei zijn broer. In de machinekamer brandde licht. Het vliegtuig moet het gezien hebben, want toen Neil terugkwam gooiden ze nog een tien minuten later bommen achter ze. Ook zijn ze nog tussen een gevecht met Engelse en Duitse motortorpedoboten terechtgekomen. De kop van de reddingboot werd op de verschansing gezet om het schip snel te kunnen verlaten wanneer ook zij geraakt zouden worden. Er zijn veel Hollandse loggers beschoten op zee in die tijd. Overdag werd er altijd uitgekeken naar vliegtuigen. Neil zag Duitse vliegtuigen terughinken van Engeland met één motor.

De KW107 "Jacoba" van schipper M. van Duijn.

De KW107 “Jacoba” van schipper M. van Duijn. scheveningen-haven.nl

Engelandvaart

Op een dag werd een oudere broer opgepikt door de Duitsers om te gaan werken in Duitsland. Neil wilde iets verzinnen om daaraan te ontkomen. Hij is toen in Rotterdam naar het Witte Huis toegegaan. Een hoop scheepvaartmaatschappijen waren gevestigd in dit statige pand aan de Gelderse Kade dat als een van de weinige panden het bombardement van 1940 overleefd had. Daar werd hem verteld naar een rijnaak in Amsterdam te gaan. Deze moest klaargemaakt worden voor de Duitsers. Neil kon niet zo goed met de kapitein overweg. Na een mislukte poging om voedsel te halen bij een nabijgelegen gevangenis verzocht de kapitein hem het schip te verlaten. Hij kreeg een brief mee die hij aan de heren in het Witte Huis moest geven. Deze werd onderweg naar huis opengemaakt en verscheurd.

De volgende dag ging Neil weer naar het Witte Huis. Na uitgelegd te hebben wat er gebeurd was stuurden ze hem weer naar huis. Ze zouden wel even kijken wat ze voor hem konden doen. Thuis aangekomen lag er al een telegram dat hij de volgende dag in Rotterdam op de trein naar Kopenhagen moest stappen. Dat moet ongeveer in mei 1943 geweest zijn. Zo gezegd, zo gedaan. In Osnabrück stopte de trein. Er werd hevig gebombardeerd, dus moest iedereen de schuilkelders in. In Kopenhagen aangekomen moesten ze tien dagen wachten voor een konvooi dat naar Noorwegen toe moest. Neil moest namelijk gaan werken in Noorwegen. Het waren 10 schepen. De dag voor ze in Noorwegen aan zouden komen stopte het konvooi. 5 schepen voeren een baai in het neutrale Zweden in.

Wait a minute, we zitten in Zweden! Dus toen zijn we gedrost met een heel stel gasten. Ik was toen 19 jaar oud.

Neil van Duyn

De groep na aankomst in Zweden. De eerste persoon linksonder zittend is Neil. Verder op deze foto onder andere verzetsstrijder Gerard Kouwenhoven, Jan Borg, Rudi Woest en Eddie Woest.

De groep na aankomst in Zweden. Linksonder zit Neil. Verder op deze foto onder andere verzetsstrijder Gerard Kouwenhoven, Jan Borg, Rudi Woest en Eddie Woest. C. van Duyn

Het was donker, en ze zaten op de kade tussen de bergen met basaltblokken. Niemand had geld bij. Twee van de jongens gingen kijken of ze ergens een lichtje zagen. Twee uur laten kwamen ze terug met twee taxi’s. Die hebben het stel vervolgens helemaal naar Gothenburg gebracht, naar het Nederlands Consulaat. De taxi’s werden door het consulaat betaald en de ontvangst was groots. Ze kregen allen gelijk Zweeds geld. ’s Avonds moesten ze de trein naar Stockholm nemen. Er moest gereisd worden in groepen van drie, omdat het anders te snel op zou vallen dat er vreemdelingen ronddwaalden.

Vlucht naar Engeland

De volgende morgen arriveerden ze bij het consulaat. Daar werd gevraagd of ze naar Engeland toe wilden gaan. Dat wilden ze natuurlijk wel. Geduld kwam er wel bij kijken, want er waren geen routinevluchten naar Engeland. Regelmatig werden er gestrande piloten of geheime informatie opgehaald, maar tot die tijd moesten de mannen als houthakkers werken in de bossen van het Ljusdal.

Na een poosje wachten werd Neil opgebeld. Of hij ’s avonds een nummer wilde bellen. Het was het nummer van het vliegveld van Stockholm. Daar hoefde je alleen je naam te geven en dan hoorde je ja of nee. “Bel volgende dag maar terug”, hoorde je dan meestal. Na vier keer bellen werd Neil verzocht om die zelfde avond op het vliegveld te verschijnen.

Wat je daar zag! Kennissen van me liepen met parachutes om. Die werden in Mosquito’s overgebracht. Die lagen in het bommenrek. Wij gingen in een B24, een Amerikaanse bommenwerper. Daar stonden stoelen in. Ik dacht dat hij heel lang moest taxiën, maar we zaten al in de lucht. Dat was mijn eerste keer vliegen.

Neil van Duyn

Tweeëneenhalf uur later kwamen ze aan in Schotland op Leuchars RAF Base. Daar kregen de mannen een goed ontbijt met spek en eieren. Van daar uit moesten ze naar Londen. Daar werd het gezelschap vastgezet in de Royal Victoria Patriotic School. Iedereen die Engeland in kwam moest door deze ondervragingsinstelling heen. Het was enorm, er zaten duizenden mensen die allemaal verhoord moesten worden. Daar heeft Neil 14 dagen gezeten. Om de dag werd hij ondervraagd door mensen van MI5. Wat heb je gedaan, waar ben je geboren. Ze wisten zelfs waar hij gewerkt had. Neil had immers meegeholpen aan de bouw van de bunkers in Katwijk!

Na de ondervragingen in de Patriotic School werd Neil uitgenodigd voor thee bij de koningin, zoals ze dat bij alle Engelandvaarders deed. Hare Majesteit had naar hem gevraagd omdat hij later was aangekomen dan gepland. Tijdens het houthakken in Zweden had Neil een ongeluk gehad. Hij had met de bijl in zijn been gehakt, waarvan hij eerst moest herstellen voor hij de oversteek naar Engeland kon maken. Na zo’n 6 maanden was hij dan tóch in Engeland aangekomen.

Matroos bij de onderzeedienst

Neil wilde graag bij de Marine Luchtvaartdienst, maar daar waren geen mensen nodig. Hij kwam terecht op de Hr. Ms. Soemba, alwaar hij zijn algemene militaire opleiding kreeg. Deze duurde een aantal maanden, waarna Neil, als leider van 9 andere mannen, naar Dundee moest afreizen om zich bij de onderzeedienst te melden. In Dundee lagen een hoop onderzeeërs uit veel verschillende landen. Ook hier moest er een opleiding tot matroos volgen om het reilen en zeilen op een onderzeeër onder de knie te krijgen. Deze opleiding vond plaats op de N73 Hr. Ms. Zeehond; Een van oorsprong S-klasse Britse onderzeeër, die sinds 11 oktober 1943 in gebruik was bij de Nederlandse marine.

De Hr.Ms. Zeehond en Hr.Ms. Dolphijn met de Engelse naamseinen.

De Hr.Ms. Zeehond en Hr.Ms. Dolphijn met de Engelse naamseinen. C. van Duyn

Er werd elke dag geoefend, onder andere in Scapa Flow bij de Orkney eilanden. Neil raakte al gauw gewend aan het leven aan boord van de duikboot. 6 uur op, 6 uur af. Het was een afwisselend beroep, omdat je als matroos bij alle voorkomende werkzaamheden werd ingezet, van schoonmaken tot het bedienen van de duikroeren en de periscoop. De Zeehond werd ingezet om konvooien te begeleiden en patrouilletochten te doen, maar in de tijd dat Neil op het schip zat heeft het geen contact met vijandelijke schepen gekregen.

Neil voer tot het eind van de oorlog op de N73. Na de bevrijding kwam er op een morgen een Duitse onderzeeër de haven van Dundee binnen. De bemanning kwam zich over geven. Neil kreeg als opdracht wacht te lopen op de duikboot en liet de kans om aan boord te kijken natuurlijk niet aan zich voorbijgaan. De Duitse bemanning zat er nog op, en ondanks dat Neil een revolver bij zich had, konden ze een praatje maken. Ze waren immers allemaal duikbootpersoneel.

De O-27, net opgehaald uit Ierland, komt aan in Dundee. De jongen in de witte trui is Jan van Braal.

De O-27, net opgehaald uit Ierland, komt aan in Dundee. De jongen in de witte trui is collega Jan van Braal. C. van Duyn

American dream

De oorlog was afgelopen en de Nederlandse marine keerde ook terug richting het vaderland. De Zeehond kwam als eerste aan in de Duitse u-boot bunker in de Waalhaven van Rotterdam. Daar heeft Neil tot mei 1946 gewerkt, omdat zijn vader hem nodig had op de logger. Hij had liever bij de Marine willen blijven, maar door de commandant werd hij uit dienst ontslagen. Na twee reizen op de logger bij zijn vader hield Neil het voor gezien.

Hij ging solliciteren bij de Holland-Amerikalijn en werd aangenomen. Er waren vier Victory schepen aangekocht die opgehaald moesten worden en omgebouwd. Met het troepenschip “Weltevreden” van de Rotterdamsche Lloyd werden ze naar New York gebracht, vanwaar ze naar San Francisco zijn gegaan per trein. Daar hebben ze zo’n 10 dagen gewacht op het arriveren van het schip “S.S. Amsteldijk”. De Victory schepen lagen namelijk nog in het verre oosten. Twee dagen voor kerst zouden ze in Rotterdam aankomen, na diverse tussenstops in Seattle en Curaçao.

Hierna heeft Neil nog diverse reizen gedaan en kwam er al doende achter dat er vaak verstekelingen meegingen die in New York achterbleven om te werken. Deze personen kwamen dan een tijd later weer terug met een paar duizend dollar. Op een gegeven moment voer Neil op de Nieuw Amsterdam naar New York. Tegen de Katwijkse bootsman Arie Haasnoot zei hij dat hij even spullen ging kopen. Arie waarschuwde hem dat het schip om 1 uur New York zou verlaten. Maar Neil had geen spullen nodig en ging tot 7 uur ’s avonds in de bioscoop zitten. De Nieuw Amsterdam vertrok zonder hem. Neil begon in New Jersey te werken als schilder bij fabrieken en huurde daar een kamertje. Hij verdiende er goed geld mee en is altijd hard blijven werken.

Neil, met zijn mobilisatie-oorlogskruis en een schaalmodel van zijn geliefde onderzeeër.

Neil, met zijn mobilisatie-oorlogskruis en een schaalmodel van zijn geliefde onderzeeër. Katwijk in Oorlog

60 jaar woonde Neil in Amerika. Eerst in New Jersey, en na zijn pensioen in Florida. Hij had nooit gedacht ooit terug te keren naar Nederland.

Ik heb altijd gezegd dat ik weg zou gaan. Altijd gezegd dat ik in Amerika zou gaan wonen. En dat is gebeurd.

Neil van Duyn

De Katwijkse visserij in oorlogstijd Volgende verhaal

Wil je bijdragen aan dit verhaal?

U kunt ons helpen door dit verhaal aan te vullen en waar nodig te corrigeren!

Heeft u nog materiaal dat wij kunnen gebruiken om dit verhaal nog beter te maken? Neem dan contact met ons op, zodat we onze website zo compleet mogelijk kunnen houden.

E-mail mail Facebook